DEEL 35. IN HET HOOFD VAN…. MIJN VOORGANGER.

Ja, ik hoef u dit niet te vertellen. Ik heb veel, heel veel tijd. En soms,
en dit is uiterst zeldzaam, gebruik ik dat al eens om na te denken.
Iets dus  ‘na’ het denken… het laatste is al twijfelachtig bij mij, dus
in hoeverre zit het dan goed met het  ‘na’-denken.

 

Bij één van die oefeningen, had ik het over mijn voorganger, of –
gers. Wie zat hier al allemaal, op dezelfde plaats als ik. De gevan –
genis staat hier al meer dan honderdvijftig jaar. En als iedereen
zo gemiddeld drie jaar hier verblijft, en zo een tien keer gemiddeld
verhuisd in de loop van zijn carrière, hebben hier al 500 man gelo-
geerd, zonder de grondliggers, nog eens zoveel, dat maakt mini-
maal duizend man, op één cel.

 

Hoe afgeleefd moet die cel wel niet zijn ? Maar, laat ons zeggen :
dat valt best mee. Alle dertig jaar eens herschilderen of een nieuw
vloerke in tegeltjes, en hopla.. nieuw leven. Maar wat hebben de
muren gehoord en gezien van miserie ? Je kan het niet beschrijven.

 

Als ik adem, ruik ik nog altijd de geur van de verdamping van bit-
tere tranen. Als ik voel, dan voel ik de trillingen van onmacht, die
een geworden zijn met deze betonnen constructie. Als ik luister,
hoor ik het schreeuwen en vloeken van zovele gefrustreerden. En
als ik denk, dus ja na-denk, dan denk ik aan alles wat die mensen
verkeerd gedaan hebben. Steeds maar opnieuw !

 

240.000 mensen, alleen al in Gent.. wat is dat toch met onze maat-
schappij ? Wanneer pakken we dit anders aan, wanneer lossen we
dit op ? Stop aan het geschreeuw, aan die onmacht, aan die tranen,
maar stop ook aan al dat veroorzaken van onheil.
Zorg en preventie zijn de sleutels tot het openen van de sloten.
Ik heb nagedacht !

 

Advertisements