DAGBOEK VAN EEN GEVANGENE 1/365 DEEL 2 ‘de ontmenselijking gaat verder’

Op precies de 33ste dag, na mijn opname in Gent, werd ik door het busje van het PLC ( Penitentiair Landbouw Centrum) opgehaald. Het was een mooie dag, de zon liet zijn warme stralen op mijn schamele gestalte vallen, de lente was in aantocht, en ja, ik voelde me gelukkig. Haastig had ik wat persoonlijke spullen bij elkaar gezocht, niet te veel, de rest zou nadien bezorgd worden. Een dag eerder had ik afscheid genomen van Polke, die mij ongelovig en verweesd aanstaarde, toen ik het nieuws bracht. Het gebeurde opeens zo snel. Te snel voor hem, hij kon het niet meteen vatten. Hij keek me met zichtbaar verdriet aan, leek nog verwarder  dan ooit, hij begreep het niet. Ondanks deze domper op mijn vreugde keek ik voorzichtig uit naar mijn nieuw verblijf. Maar toch, wat  had ik medelijden met het iele ventje dat mij als zijn vriend beschouwde.

De bestuurder van het groene busje – later bleek het een chef te zijn – was halfweg de vijftig, maar, alhoewel hij tien jaar jonger was dan ik, zag hij er stukken ouder uit, afgeleefd en vermoeid door het harde werken. Hij keek me vriendelijk, glimlachend met een ervaren blik in zijn ogen aan, het stelde me meteen op mijn gemak, liet me instappen naast hem, ik voelde me een VIP. Wat een verandering ! Ik sprak terug met iemand van vlees en bloed ! Geen opgefokte bodybuilder, vol van zichzelf, vasthoudend aan regeltjes, die geen enkel menselijk contact toeliet, zoals in Gent. Neen, een echte mens. En een erg vriendelijke mens op de koop toe !

Ik klom het busje in, en meteen voelde ik mij bevrijd, een zware last viel van mijn schouders, het werd licht in mijn hoofd, verlost van de immense druk die sinds lang aanwezig was. De sleutels, de hekken, de dikke deuren, de grijze betonnen muren op de wandeling. Alles viel plots weg, ik kon terug ademen, ik kon terug leven, ik was intens gelukkig.

We doorkruisten de stad Gent op een druk middaguur. Auto’s, vrachtwagens, fietsers, voetgangers, de bedwelmende geur van benzine en diesel, de rode stoplichten, en, na het voorbijrijden van een frituur, het doordringende aroma van gebakken frietjes door het half open vensterraampje. Het leek allemaal zo onwezenlijk, na een maand ‘logeren’ in de gevangenis. Ik genoot met volle teugen van de rit, en van de bestuurder, die een echte spraakwaterval bleek te zijn. We waren amper Drongen voorbij, of ik wist al de helft van zijn leven. Hij bleek een fervent wandelaar te zijn, we hadden zelfs gemeenschappelijk kennissen in de wandelsport. In een ver verleden stond ik, samen met een vriend, aan de wieg van een grote wandelsportvereniging, een vereniging die momenteel tienduizenden wandelaars omvat. Tijdens een groot deel van mijn leven was wandelen mijn hobby, en ook een stuk van mijn werk geweest. We hadden een gezellig, geanimeerd gesprek, en meer en meer kreeg ik het gevoel naar een vakantiekamp te gaan. Een goed gevoel. Als alle chefs zo waren, zou ik zeker in de ‘watten’ gelegd worden. Mijn problemen verdwenen als sneeuw voor de zon, weldra zou ik vrij zijn. Ik voelde me nu al vrij.

Afrit Beernem, nog enkele kilometers, en net voorbij een hoek, lag het PLC van Ruiselede. In de volksmond : boerderij van het gevang. Onmiddellijk ernaast lag het Opvangcentrum voor jeugddelinquenten, dat hier in de streek, beter bekend was dan de boerderij. We draaiden een kasseien koer op, dan volgde een automatische poort, en kwamen we op een groot middenplein van een grote boerderij terecht. Groots, maar niet echt indrukwekkend. Een echte ouderwetse boerderij, twee verdiepingen hoog, met een hoofdgebouw, en verschillende lange, lage bijgebouwen, als een blokkendoos, onachtzaam neergegooid, waar uit de half openstaande deuren,  gerammel en voetstappen klonk. Je voelde de positieve instelling in de lucht hangen. De ganse omgeving geurde naar werk, naar groen, naar mest, naar de natuur. De gezonde boerenlucht. Een oudere man met laarzen en een vuile overall, stapte haastig met een koffertje onder de hand een stal binnen. De veearts. Vogeltjes kwetterden, ergens loeide klagend een koe, een hond blafte, ik was nog niet binnen of ik voelde me al thuis.

Een groter contrast met Gent was er niet. Hier was men een gevangene, maar ook weer niet. Hier was je vrij, maar ook niet echt vrij. Hier was je vooral mens, en we werden zo menselijk mogelijk behandeld. Weg waren de sleutels, de onzinnige regeltjes, er werd gesproken met elkaar, er werden zaken uitgelegd. Niet alles, maar het begin was er.

De boerderij was ingericht naar de noden van de gevangenen, met op het gelijkvloers de administratieve diensten, keuken en refter, drie ruime woonplaatsen en een rookkamer. Op de eerste verdieping was er een bezoekruimte, en de slaapgelegenheden van de gevangenen.

De gebouwen buiten waren niet alleen stallingen, er waren ook stapelplaatsen voor toestellen allerhande, en werkhuizen waar gedetineerden konden werken. Er werden vooral paletten hersteld en gemaakt. Rond de boerderij lag een enorme vlakte landbouwgrond,  de totale oppervlakte van het domein bedroeg 145 hectare, en men kon er op drie plaatsen werken : op het landbouwbedrijf zelf, in één van de drie werkhuizen, en binnen als huishoudelijke hulp. De verste afstand bedroeg ongeveer 1,5 km. Er waren 220 melkkoeien, die ‘s morgens en ’s avonds werden gemolken, en die dagelijks van en naar de weide werden gebracht. Ook was er veel jong vee aanwezig, de veearts was dan ook  kind aan huis. Al het werk, van land bewerken, zaaien en oogsten, melken en natuurlijk de vele kalvingen, zelfs spuiten, en inseminaties, alles werd door de gedetineerde uitgevoerd, wel bijgestaan door een aantal chefs, met als hoofd  een landbouwingenieur. Deze man was niet alleen de directeur van PLC Ruiselede, maar ook van Hoogstraten, op 150 km hier vandaan. Het was een goed draaiende zaak, de boerderij leverde maandelijks een netto opbrengst van dik 25.000 euro op, na aftrek van de kosten. Een voorbeeld dat eigenlijk veel navolging zou moeten hebben. Een initiatief, opgezet met als missie een waardevol project aanbieden aan gedetineerden, wist niet alleen zijn doel te behalen, maar bracht ook nog iets op voor de staat.

We waren dus aangekomen op het grote middenplein, en ik werd meteen opgenomen in de grote familie. Wat eenvoudige administratieve handelingen, een kleine rondleiding doorheen het gebouw, een tasje koffie, met een uitleg over de basiszaken, om ten slotte te eindigen op mijn slaapplaats op de tweede verdieping.

Dat was een ontgoocheling. Het was één grote slaapzaal, onderverdeeld in chambrettes. Ik hapte naar adem en kon mijn ogen niet geloven. Ik kende deze nog van mijn collegetijd, en eerlijk gezegd dacht ik dat deze in de huidige tijd niet meer bestonden. Alleen waren de gordijnen vervangen door een minuscuul deurtje. Helemaal in het begin van de rij, nr. 40 was mijn slaapplaats. Alles was petieterig klein, een klein bedje van 70 op 1.80 m, een nachtkastje, een stoel, en ergens stond nog een kastje in de volgepropte chambrette. Toen ik binnentrad, was het er dan meteen ook overvol, een tweede persoon kon er, zelfs met behulp van een schoenlepel, niet meer bij. En hier sliepen 48 mensen, neen, niet bij mij, wel elk in hun eigen lilliputter chambrettje.   De houten wanden waren dun, bovenaan helemaal open, net zoals ik het me herinnerde.

Nostalgie. Een vlaag nostalgie kwam opzetten, toen ik mij de chambrettes uit mijn jeugd herinnerde. Als jongen van twaalf-dertien jaar sliep ik in het college, samen met tientallen kinderen op een dergelijke slaapzaal. Met biddende paters die de gangen bewaakten, want nadat het licht gedoofd was, mocht niemand nog zijn chambrette verlaten, alleen als de nood hoog was, werd het toegestaan. En wat doe je dan als je geen slaap hebt, je vriend vier chambrettes verder lag, en je dringend je vriend wou spreken ?  Tja, dan stak je je zaklamp tussen je kiezen, klom je op het nachtkastje, kroop over de houten wand, en liet je heel stil op de grond vallen in de nabij gelegen chambrette , bij een al dan niet slapende vriend.  Deze schrok zelfs niet , het was dagelijkse kost. Vervolgens ging je op het nachtkastje van deze vriend staan, en kroop je terug over de wand naar een volgende chambrette. Tot je op de plaats van bestemming was. En na enkele uren werd de terugreis aangevat, op dezelfde manier.  Alles moest dus heel stil gebeuren, want het gevaar loerde in de vorm van de allesziende en alles horende pater-opvoeder. Maar ervaring leerde ons dat na middernacht deze ook naar zijn kamer vertrok, zo nu en dan was er nog eens een controle, maar daar bleef het bij. Een goede zaklamp was dan ook het voornaamste attribuut als interne. Kousen, ondergoed, alles mocht je vergeten thuis, maar geen zaklamp. En er lag liefst niets op het nachtkastje, zeker geen bril.

Na een vluchtige inspectie van mijn kamertje, dit wil zeggen, ik draaide mijn hoofd enkele keren, want bewegen kon ik niet, tuurde ik naar boven. Neen, ik had al enkele gedetineerden gezien, en kon mij niet voorstellen dat deze over de dunne, afgesleten houten wand van de chambrettes zouden kruipen. Ikzelf voelde daar in ieder geval geen behoefte aan, en het belangrijkste, ik had geen zaklamp.

De eerste nacht sliep ik bijna niet. Je kunt je niet voorstellen, hoeveel mensen er snurken in hun slaap. Een houtzagerij, een concert van een metal-groep,  dieren in een kooi, een kakafonie was het, onbeschrijfelijk, en ongelooflijk. Dat was het begin van een nieuwe frustratie. In het begin van de nacht werd er dan ook geregeld op de wand van een chambrette geklopt, mensen konden de slaap niet vatten, en probeerden op die wijze hun buur tot stilte aan te manen. Ook de chefs kwamen al eens een kamer binnen om de schuldige wakker te schudden, overigens zonder resultaat. Hoe later op de nacht, hoe minder er geklopt werd, en hoe meer snurkers er bij kwamen.  En verdomd, ik hoorde ook bij het kettingzagers bataljon. Ik snurkte ook dat het een lieve lust was, zonder dat ik wist. Tot een bewaker mij met een duw wakker maakte, en ik zo schrok dat ik een halve meter omhoog wipte. Waarschijnlijk produceerde ik een te hoog decibel geluid, want na enkele weken verhuisde ik naar een tweepersoonskamer, die ik deelde met een andere snurker.

Het was een mooie ruime kamer, proper, maar geen luxe. Geen wasbak of douche, die bleven centraal, maar anders wel een grote kamer. Mijn kamergenoot bleek een oudere, zwaardere persoon te zijn. Je kon aan zijn omvang alleen al merken, dat hij een zware snurker was, en ik had gelijk. Hij ging altijd ruim anderhalf uur vroeger slapen, en van zodra je aan de deur stond, hoorde je het al.  Een houtzagerij was er niets tegen. Niet eenvoudig om zo in slaap te geraken. Onbewust bleef je naar het lawaai luisteren, maar er was iets verontrustends in zijn slaap. Hij haalde eerst diep adem, met een zware snurk, en stopte met ademen. Tot plots, net om het ogenblik dat je het niet meer verwachtte de uitademing er toch kwam. Slaapapneu waarschijnlijk.  De eerste nacht was ik daar flink van geschrokken. Ik bleef maar luisteren, en dacht bij elke ademhaling dat het einde nabij was. Maar ook dat wende.

Enkele dagen later, op een warme middag, kwam de grote verrassing. Polke. Niet te geloven, maar Polke stond in levende lijve, met lachende blinkende ogen voor mij. Hoe hij het gedaan gekregen had, wist geen mens, maar hij stond daar in de woonkamer met een brede glimlach, zenuwachtig, maar och zo blij me te zien. Hij schudde opgetogen mijn hand, en liet mij niet meer los. De volgende uren, dagen en weken zou hij me niet meer lossen, overal volgde hij me als een schaduw. Zijn geheugen was fel achteruit gegaan, zijn verhaal over de problemen met de fiscus, dat ik ondertussen van buiten kende, vertoonde hier en daar grote hiaten. Soms begon hij, midden in een zin, opnieuw aan zijn verhaal, soms herhaalde hij drie of vier keer op een uur hetzelfde. Hij besefte het niet. Éenmaal heb ik hem onderbroken door te zeggen dat hij het verhaal net had verteld, maar de kleine man had geen benul van tijd en uur, zijn geheugen liet hem helemaal in de steek, en de volgende malen liet ik het zo. Hij was , na een zwaar actief leven, weggezonken in een toestand van nietsdoen en dat had verstrekkende gevolgen. Hij wist met zichzelf geen raad, en ergens deed hij me een beetje aan mezelf denken. Ook ik was na 45 jaar dag en nacht actief te zijn, plots van de ene dag op de andere, zonder werk gevallen, en in de gevangenis. Ik voelde me totaal nutteloos, en was , net als Polke, het noorden kwijt.

Overdag mochten we niet op ons kamertje blijven, maar we hadden drie woonplaatsen ter beschikking, de VTM-zaal, de rookzaal en de sportzaal. Deze laatste was de grootste, met voldoende zachtleren zetels en een tv. Één tv. Dat was problemen zoeken. Één tv. Voor zestig mannen. De jongeren waren in de meerderheid, met als logisch gevolg dat het TV-gebeuren afgestemd was op hun wensen. Na sport kwam vooral de misdaadfilm aan bod. Rampenfilms, moordpartijen, rollende koppen, hoe meer bloed er te zien was, hoe liever. Het was soms weerzinwekkend. Was geweld zo belangrijk in hun leven ?  Ook vrouwelijk schoon liet hen niet onberoerd. En vaak hoorde je hen tot buiten joelen en schreeuwen, Polke schrok er zelfs wakker van. Die had geen probleem, van zodra de film begon, viel hij meteen in slaap, maar ik werd nijdig van al dat bloedvergieten. Waarom niet eens een mooie documentaire ? Er waren zoveel mooie streken en landen te ontdekken in de wereld. Waarom geen debat volgen ? Zoveel mogelijkheden, maar neen, bloed moest er zijn.  Uiteindelijk, inwendig kwaad, sloot ik mijn ogen, en dacht aan de bioscoop, zaal Capitole,  in Aalter, waar ik voor de eerste keer Winnetou  op het grote witte scherm zag, weggezakt in dezelfde rode zetels, met dezelfde geur van afgeleefd leder. Ik was veertien. Lang geleden.

Sport was de grootste factor in mijn leven tijdens mijn verblijf in Ruiselede. Vooral veldrijden ( ik was een grote Nijs-fan) en wielrennen. Het was de tijd van de drie grote rondes : Italië, Frankrijk, en later op het seizoen Spanje, met, niet te vergeten, de Ronde van België en de Eneco-tour. Ik was verslaafd aan de draaiende wielen, de inspanningen van de wielrenners,  de bovennatuurlijke krachtinspanningen en voortdurende strijd om de eerste plaats. Het peloton dat slingerde tussen de wijngaarden, de kleurrijke landschappen waar de renners doorploegden, hitte, sneeuw, mooie meisjes bij de aankomst, wat wil je nog meer ?  Op heel jonge leeftijd had mijn vader mij eens meegenomen om naar de Ronde Van Frankrijk te kijken. Een doortocht in de buurt waar ik toen woonde. De gezellige sfeer en drukte, het lawaai, de kermis, ik zal het nooit vergeten. Alleen, de renners waren in een flits voorbij, en ik had niets gezien, mijn aandacht ging volledig naar de helikopters die zwaar klapwiekend bulderend boven onze hoofden zweefden, en een donderend geluid produceerden, die alle anderen geluiden verdrong. Indrukwekkend.  Weg Ronde.

Als je niets hebt om naar uit te kijken, als de sleur van de dagen tergend langzaam voorbijging, als niets meer belangrijk was, dan eten, tv  kijken, slapen, dan waren onbenullige dingen vaak de oorzaak van grote frustraties. Men ergerde zich aan elkaar, het leven op de boerderij was gericht op jongeren, en de ouderen werden genegeerd, uitgelachen, ja, ook gepest, op een kinderachtige manier.  En soms kan je er niet mee lachen. Soms reageerde je ook niet, zoals het verwacht werd. Je wist zelfs helemaal niet dat je niet goed reageerde.  Soms werd het je allemaal gewoonweg teveel.

De koers stond op, we zaten aan de tv gekluisterd, wij, een groepje van een zestal ouderen, vol spanning wachtende op de laatste kilometers van de rit. Ik had beleefd om toestemming gevraagd, en het was me toegestaan, ik was zelfs aangesteld om het tv-toestel te beheren. En toen moest ik nodig naar het toilet. Het vervolg kon men raden. Toen ik terugkwam, sprintte Eden Hazard manhaftig over het groene veld, richting doel. De zender was gewijzigd naar voetbal , een uitgestelde match, waarvan men de einduitslag al kende.  De renners konden elke minuut de streep bereiken, de koerskijkers zaten ongemakkelijk op hun stoel, bang om een incident uit te lokken, verlangend om het einde van de sprint te zien, de voetballiefhebbers genoten.

Ik kon het niet aanzien, er ontspon zich een ware woordenoorlog. Luidruchtige verwijten, vooral van de voetballiefhebbers, ikzelf kalm, wijzend op de interne afspraken. Mijn vrienden, wielerliefhebbers, zwegen, en gelaten lieten ze over zich heen lopen. Trokken hun schouders op. Ik werd woedend, ik voelde mijn bloed koken, mijn achterban liet me in de steek, eentje was zelfs al naar buiten geglipt, en daar stond ik, alleen, met voor mij, een zevental schreeuwende hooligans. De zaak begon uit de hand te lopen, mijn stem werd scherper, luider, ik begon mijn zelfbeheersing te verliezen. Ik kwam op voor mijn rechten, en dat zouden ze weten. Ik voelde een gebalde vuist in mijn broekzak. En toen kwamen de chefs, die altijd in de grote zaal aanwezig waren,  tussenbeide. Net op tijd. En ja, zoals gewoonlijk werden enkel de stemmen gehoord van diegenen die het meest van hun oren maakten, de chefs namen een beslissing, en het voetbal bleef in beeld. Wie kon dat begrijpen ? Een rechtstreekse wielerwedstrijd, een klassieker, met de Belgen in topvorm, en toch kreeg een uitgestelde voetbalmatch van twee dagen geleden, voorrang.

Rapport directie volgde. Gelukkig begreep de directie mij, maar gelijk kreeg ik niet, ongelijk echter ook niet. Ik mocht blij zijn dat ik geen straf kreeg. Wel een verwittiging, om het wat kalmer aan te doen, en ‘zoiets’ als een tv-programma, was ‘ de moeite ‘ niet om mij daarover op te winden. De preek van de directie, een jonge vrouw van bijna veertig – ze noemde zichzelf een ervaringsdeskundige in de sociale dynamiek van de groep – kwam helemaal verkeerd over. Beter gezegd, haar woorden schoten in het verkeerde keelgat, maar ik hield mijn mond. Ik zweeg voor de zoveelste keer, het was verdomd moeilijk, maar ik zweeg, en liet haar praten. Kende mijn plaats. Iemand die niet begreep dat ik een Flandrien was,  geboren in een tijdperk van Merckx, Van Looy, Van Steenbergen, Sercu, de Planckaerts, en nog zovele anderen. Flandrien, met de Flandriens. Had ze ooit gehoord van deze toprenners ? Waarschijnlijk niet.  Als ervaringsdeskundige had ze ook moeten begrijpen dat de koers voor mij,  net zo belangrijk was als voetbal voor de anderen. Alleen, diegene die het meeste lawaai maakten hadden gewonnen. De chefs en de voetballiefhebbers lachten in hun vuistje. Alhoewel ik met een goed gevoel hier naartoe was gekomen, en ook goed was ontvangen, zou ik toch beetje bij beetje ondervinden, dat , ook al was er wat meer vrijheid, het samenleven met criminelen van allerlei slag, niet zo gemakkelijk was.

Achteraf realiseerde ik me dat het niet normaal was. Dat was ik niet. In mijn vroegere leven, buiten de gevangenis, zou ik nooit zo gereageerd hebben, want inderdaad, het was eigenlijk ‘de moeite’ niet. De uitslag zou ik in het nieuws wel te horen krijgen. Het was niet goed. Ik was niet goed bezig. Mijn emoties kregen de bovenhand. Waren dit de eerste tekenen van detentieschade ? Was ik gek aan het worden ? Ik nam me voor goed op mezelf te letten.

Er zaten in de groep verschillende drugsgebruikers, moordenaars, pedofielen, geweldenaars en ‘ettertjes’. Ik noemde ze zo, vermits het ettertjes waren. Het waren jongemannen, allemaal rond de 25 jaar of jonger,  de meesten kwamen uit de jeugdinstelling of de gevangenis van Ieper of Brugge, en het grootste deel had drugsproblemen. En hadden de mentaliteit en het onvoorspelbaar gedrag van jongeren in hun pubertijd 14 – 16 jaar. Ze waren ook niet opgevoed zoals het hoorde, hadden helemaal geen manieren, waren onbeschoft in hun uitlatingen, hadden geen notie van beleefdheid. In hun drang om zich te manifesteren, haalden ze kinderachtige grapjes uit, vooral met de nieuwelingen. Domme grapjes, waar een normaal mens niet kon mee lachen. Ik kon er in ieder geval niet mee lachen. Suiker in de soep – boter of confituur onderaan je bord smeren, zodat bij het afruimen, alles vies, vettig en vuil was,  er werd met vlees naar andere tafels gegooid, je kon het zo gek niet bedenken. Het was een ellenlange lijst met dommigheden waarmee je als nieuweling ‘moest’ lachen, anders bleef je de pineut. Maar het was niet van harte, de ettertjes hadden hun pleziertjes, de slachtoffers lachten groen, en bij elke nieuwe gast die werd opgenomen, begon het pesten opnieuw. En opnieuw. Aan tafel zat ik naast zo’n ettertje, die het op een gegeven moment zo bont maakte, dat hij naar een andere tafel moest verhuizen, waar hij opnieuw met vlees begon te gooien. Het had geen zin. Geen opvoeding. Geen normen en waarden. Eigenlijk waren het sukkelaars.

Sukkelaars, met vooral drugsproblemen. Daarom zaten ze ook hier. De meeste jongeren zaten aan drugs, en hier in Ruiselede was een begeleidingsproject opgestart onder de naam ‘ Believe ‘. Dit project liep over één jaar.  Ze hadden moeten beloven, en een contract tekenen dat ze zouden drugsvrij blijven gedurende hun verblijf in het PLC. Absolute onthouding dus, van welke aard dan ook. Soft- en hard drugs, pillen, alcohol, het was hard, maar nodig. Ook geweld werd niet getolereerd. De jongeren opnieuw volwaardige mensen laten worden, en hopen dat het hier hun laatste gevangenisverblijf zou zijn. Bij hun aankomst werden ze verplicht in het project te stappen, er werden helemaal geen drugs getolereerd, en vaak hadden ze het daar erg moeilijk mee. De echte verslaafden kregen wel vervangende medicatie, maar dat was tijdelijk, en van zodra ze droog stonden kwam de drang nog sterker terug dan voordien.  Toen ze het contract tekenden konden ze niet inschatten wat het drugsvrij leven zou inhouden, hier was het een open gevangenis, en ze rekenden erop dat ze, zoals in de gevangenis, gemakkelijk aan drugs zouden komen. Niet dus. Dat er problemen zouden komen wist iedereen, maar ontstond er al eens een incident, werd de betrokkene afgevoerd naar de isoleercel. Enkelen, die het echt goed meenden, en het erg moeilijk hadden, vroegen zelf om opsluiting, omdat ze het niet meer aankonden. Er waren regelmatig controles, en bij een positieve test werden ze onverbiddelijk en consequent meteen op transfer gezet, richting gevangenis van Brugge.  Een dergelijke gebeurtenis gaf steeds veel stress in de groep, een medegevangene was weg, er was op de een of andere manier een gemis. Ook de bewakers waren lastig, ze hadden het gevoel dat ze gefaald hadden en waren ‘ kort aangebonden ‘ tegen ons, iedereen moest binnen de lijntjes lopen, de zenuwen waren gespannen.

Net zoals in Gent waren mijn collega’s razend benieuwd naar mijn “misdaad”. Van bij mijn aankomst werd ik hiermee lastig gevallen. In het begin liet ik ze zagen, ze hadden geen zaken met mijn feiten. Maar ik werd venijnig en onvriendelijk op mijn plaats gezet : “ je bent hier toch niet voor pedofilie hé !” en “ toon eens je moederfiche”.  Vooral  onder de jongeren heerste een grote haat tegenover pedofielen. Enig begrip hiervoor, of  proberen nagaan wat er misgelopen was, was voor hen onbestaande. Elke oudere man, zoals ik, werd meteen gebrandmerkt als pedofiel. Zij die dit effectief op hun geweten hadden waren hier niet echt op hun plaats en ongewenst. Ze werden dan ook altijd links gelaten. Het was zelfs verboden om met hen te praten, en zij hadden ernstige pesterijen te verduren.  Een “moederfiche” kende ik zelfs niet, maar het bleek een overzicht te zijn van je gepleegde delicten. De druk was uiteindelijk zo groot, de haat op hun gezichten sprak boekdelen, de pesterijen namen toe, en ondanks dat ik mezelf beloofde niet toe te geven, kon ik niet anders dan mijn fiche aan enkele jongeren tonen. Ik wist dat ze het gingen rondvertellen. De feiten van mijn bestraffingen hadden allemaal te maken met financiële delicten, anders niets. Als bij toverslag veranderde hun mentaliteit. Op nog geen 24 uur tijd, veranderde de “oude rotzak pedofiel” in “ hoe kan ik van deze vent profiteren”. Aanvankelijk had ik niets in de gaten, schoorvoetend kwam er eentje enkele postzegels lenen, dan weer vroegen ze mij een potje rijst te kopen voor twee of drie jetons ( ze hadden zo’n honger ). Er was altijd wel iets dat ze dringend nodig hadden waarvoor het geld – jetons – ontbrak. Een jeton had de waarde van 0,70 euro, en veel producten hadden de waarde van één jeton, of een meervoud daarvan. Het duurde een tijdje vooraleer ik besefte dat ik vooral als bank fungeerde. Voor de meesten waren personen die financiële delicten gepleegd hadden, de vetpotten. Die mensen hadden volgens hen centen, en voor iemand die geen centen heeft, zoals de meesten van die jongeren , wat dat ideaal. Opnieuw was ik ontzettend naïef geweest. Ze kenden me als bank, en leenden, maar van terugbetalen was helemaal geen sprake. Was ik dom ? In enig opzicht ja, maar anderzijds, hoe kan je het hen kwalijk nemen? Ik heb zeker honderd jetons weggegeven, zonder ooit iets terug te zien. Het duurde een tijdje voor ik het doorhad, maar ik kon het relativeren, op die manier hadden ze ook wat geluk gehad, ook al duurde het niet lang. Maar ik stopte wel met geld uitlenen en sponsoring. Ik had op die manier wel een plaats verdiend in de rangorde van de horde, en soms zag ik een vleugje respect in hun ogen.

Na enkele dagen observatie werd ik aan het werk gezet. Met dieren was ik niet goed, dus helpen in de stal, en met koeien omgaan zat er niet in. Ik hield wel van dieren, vooral honden, maar werd al angstig als een koe teveel mijn richting uitkeek. Dus dat was uitgesloten. Gezien mijn beroepsloopbaan had ik een leiders- en – wat – bazig karakter, erg handig was ik niet, ik zag alles eerder in functie van presteren en rendement. Kortweg, ik had twee linkerhanden, en paletten in elkaar zetten of herstellen, was ook wat te hoog gegrepen.  Ik werd ingedeeld in de poetsploeg.  Poetsen en onderhoud van de leefplaatsen, de drie woonplaatsen, rokersruimte, toiletten en gangen. Alle dagen, zeven op zeven, diende er gepoetst te worden, en dat was echt nodig.

De verantwoordelijke chef van de ploeg was een gepromoveerde gevangene, Gentenaar, dat kon hij door zijn uitspraken in het sappig Gents niet loochenen, bokser, en zwaar gefrustreerd. Hij was een misdadiger, die samenwerkte met het gerecht, om zo in het milieu binnen te dringen, en zaken door te spelen. Een informant. Ze hadden hem gebruikt, en nadien toch jarenlang gestraft, niet volgens de overeenkomst. Helemaal niet volgens afspraak, volgens hem. Hij had dan ook absoluut geen vertrouwen in mensen, hield geen rekening met anderen, en duldde geen tegenspraak. De orders blafte hij op een hautaine manier toe, uitleg was er niet bij. Je moest alles vanzelf weten. Communicatie onder nul. Daar stond ik dan met mijn borstel.

Eindelijk had ik wat omhanden, ik nam het vaste voornemen mijn werk goed te doen. Als het van mij afhing zou men, bij wijze van spreken, van de grond kunnen eten. Mijn leuze was vooral : doe het goed, degelijk, met oog voor detail, dan kom je het verst. Dat was dus mijn leuze, maar ik was de enige die daar zo over dacht. Ik werkte traag, degelijk maar goed, ook poetsen kan je ernstig aanpakken. Je kon er ook met de grove borstel doorgaan, wat jongeren in de ploeg massaal deden. Ze gaven daardoor de indruk beter te werken, en waren een half uur vroeger klaar. En dat was goed voor de chef, want het aantal betaalde uren was forfaitair. Hoe eerder de job er dus op zat, hoe sneller verdiend. Mij kon dat niet schelen, ik kreeg meteen de stempel van ‘luiaard’, maar daar trok ik me niets van aan. Het kon mij niet schelen. Net zoals de kapitein in de film : ‘bridge over the river Kwai’, waarbij deze een nieuwe brug bouwde voor de vijand – de Japanners – en deze brug, onder zijn leiding, perfect moest zijn, zo ook werkte ik. Het moest perfect zijn. Vensterbanken, plintjes, alles werd grondig gepoetst. Bloemen water gegeven, stoelen en tafels netjes zetten, elk papiertje werd opgeraapt, het werd zowat een obsessie. Ik wou op een degelijke manier alles in orde hebben, en tijd speelde geen rol, we hadden die toch zat. Vaak controleerde ik s’ middags en ’s avonds nog eens de kamers, om afval, lege blikjes van drank, enz., op te ruimen, de gebruikte zetels en tafels recht te zetten, en zag ik een onverlaat die met opzet een papiertje liet vallen, gaf ik meteen commentaar. “Zou je dat thuis ook doen” ? Ze keken me toen vreemd aan, ik was vergeten dat velen onder hen al jarenlang van huis weg waren, en ook geen echt thuis gekend hadden. Weldra werd ik als abnormaal aangezien, de “Mister proper” van het prison, maar ik wou onze leefruimte minstens wat proper en ordentelijk houden, ik kon er niet tegen om in “rommel” te leven. Het hielp echter niet, ze leefden er wel, maar ze woonden er niet. Wie werkt er nu serieus in den bak? Het respect voor de gemeenschap was net als voor henzelf, nihil.

Met de ploegchef werd het contact beter. Hij waardeerde mijn werk wel, het zag er dan ook veel netter uit dan vroeger, en toen we eenzelfde hobby bleken te hebben – schaken – werd hij veel losser. En dat was het begin van een schaakcarrière, en een wat eigenaardige vriendschap. In het begin was hij veruit de sterkste, een goede tegenstander, zeker van zijn stuk, en intens gelukkig na elke gewonnen wedstrijd. Ik was een beginneling, maar naarmate de tijd vorderde en ik meer inzicht kreeg in het spel, werkte ik me traag maar zeker op, en waren we meer aan elkaar gewaagd. Nu won ik ook al eens, en daar kon hij niet zo goed tegen. Polke was een trouwe supporter. Hij begreep wel niets van het spel, maar dat was niet erg, hij leefde mee. Hij bleef wel tot vervelens toen zijn verhaal over de fiscus herhalen, maar daar kwam een eind aan toen de ploegchef, midden in zo’n herhaling, hem plots toebeet : “bakkes toe”. Polke stopte abrupt in het midden van een zin, en met zijn mond opende keek hij ontzet de ploegchef aan. Hij bekeek de gespierde armen, de brede boksersborstkast,  de littekens, de ietwat scheve neus en de tatoeages van mijn schaakcompagnon, en hield toen wijselijk zijn mond. Hij verviel in een bokkig stilzwijgen, en sindsdien zweeg hij als vermoord over zijn avonturen met de fiscus. Je zou het bijna gezellig kunnen noemen, met z’n drieën, buiten op een bankje, genietend van de lentezon, en het schaken. Op zulke momenten kwam de rust terug in mijn hart.

Het schaken werd steeds populairder. Dit was begonnen door een uitnodiging uit te hangen op het prikbord, en spoedig had ik een aantal mensen rondom mij, die wilden leren en meespelen. Er werd zelfs een tornooitje georganiseerd, waarbij ik in het begin ook al wel eens verloor, tot vreugde van mijn tegenspelers, maar uiteindelijk werd mijn spel steeds beter, en begon ik er meer en meer boven uit te steken. Het kringetje van diegenen die me wegspeelden, werd kleiner en kleiner. Ondertussen was er wat los gekomen, en nu zag je regelmatig groepjes schakers de banken onveilig maken. Er werd soms dag en nacht geschaakt.

Enkele weken later rapport directie. Wat had ik nu misdaan? Ik zocht tevergeefs in mijn geheugen. Zenuwachtig, angstig en met gebogen hoofd liep ik samen met een chef naar het kantoortje. De chefs waren altijd aanwezig, hielden het groepsgebeuren, en het opvolgen van de regels goed in het oog, en noteerden de gedragingen van iedere gedetineerde. Deze profielen werden overgemaakt aan de directie, en bij negatieve dingen werd je dan wel eens op rapport directie geroepen. Dus ergens was er negatief gedrag bij mij vastgesteld. Dacht ik. Als ik nu eens zou weten wat ik verkeerd had gedaan. Mijn geheugen liet mij steeds meer in de steek.  Alles verliep echter, buiten verwachting erg vlot, en in een gemoedelijke sfeer. De ploegchef van de poetsploeg zou een andere job gaan uitoefenen, en ik kreeg de kans zijn taak over te nemen. Een hele opluchting, promotie in plaats van straf !  Blijkbaar zag de directie toch wie goed of minder goed was, ik voelde me zelfs vereerd. Neen, ik was verdomd opgetogen ! Nu zou het aan mij zijn om te tonen hoe goed ik echt was. Nu kwamen mijn leiderscapaciteiten uitstekend van pas. Iedereen zou snel weten wat samenwerken en netheid was, de ideeën borrelden op in mijn hoofd, ik zou de beste ploegchef zijn die ooit in Ruiselede had gewerkt. De allerbeste. Mijn zelfvertrouwen ging pijlsnel de hoogte in. Het ging zeker lukken, absoluut,  zeker weten !  Fluitje van een cent.

Met volle moed begon ik eraan. Ik zou het geheel professioneel aanpakken, en ik maakte om te beginnen een planning. Lijstjes maken, dat was mijn ding. Een mooie taakomschrijving, de werken duidelijk omschreven, en een beurtrol, zodat iedereen afwisselend zijn taak kon volbrengen. Mijn geschrift was wel niet zo goed leesbaar, maar zolang ik het kon lezen was het goed. Goed gevulde uren, zo gaat de tijd sneller vooruit, en vooral, we zaten hier nu, we moesten er het beste van maken. Een andere keus was er niet. Een nuttige opdracht in een nutteloze periode. En het maakte ons huidige leven mooier en vooral gezelliger. Ik zou hen zelfs leren om plezier in hun werk te krijgen. Leven in een nette omgeving, of slapen op zijn eigen afval, mijn keuze was gemaakt. Helaas stond ik  helemaal alleen met mijn keuze. Er waren net een aantal nieuwelingen bij de poetsploeg ingedeeld, en toen ik mijn visie uitlegde, werd ik bekeken alsof ik van Mars kwam. Ze kwamen hier niet om te werken voor hun plezier, ze waren hier omdat ze verplicht waren te werken. Wat dacht ik wel ? Alleen de euro’s waren goed meegenomen. Voor de rest kon ik de pot op. Dat werd niet letterlijk zo gezegd, maar dit stond overduidelijk op hun gezicht te lezen.  Dat was mijn eerste grote inschattingsfout. Ze trokken zich totaal niets aan van mijn zorgvuldig opgestelde planning, een taakomschrijving hadden ze niet nodig, en waar ik mijn lijstje mocht steken, dat zeg ik liever niet.

Regelmatig kwamen er ook woorden van. Ik was geen slavendrijver, het moest voor mij niet snel gaan, maar ik kon niet verdragen dat iemand profiteerde, of zijn werk half deed, en ik kon al helemaal niet zien, dat iemand doelloos stond te lummelen met een borstel in de ene, en een sigaret in de andere hand.  Neen, geliefd was ik niet.

Nochtans was ik bezeten van het idee goed te doen voor iedereen. Ik probeerde een nieuwe wind te laten waaien, door op een open en vrije manier te communiceren. Telkens als een nieuweling zich kwam aanbieden, werd hij heel vriendelijk onthaald. Ik stelde mij voor, vertelde dat ik aangesteld was om de onderhoudsploeg te leiden, en ik legde hem uit hoe ik zijn taak zag, waar het materiaal stond, en dat ik open stond voor om het even welke suggestie om de dienst te verbeteren. En dat allemaal op een niet bazige wijze, als gelijke, als een vriend. Het mocht niet baten, op een zeker ogenblik had ik een volledig nieuwe ploeg, de ouderen hadden een nieuwe job, of gingen op transfer, of zelfs naar huis, en nog lukte het mij niet om eenheid te bewaren, hun mentaliteit was niet te veranderen. Mijn vernieuwende aanpak werkte niet.

Er was terug een nieuwe uit de gevangenis van Brugge. Een ettertje, dat zag ik meteen. Glimlachend, met uitgestoken hand verwelkomde ik hem, en begon zijn taken uit te leggen, vriendelijk, zoals altijd.  Ik was nog geen drie zinnen ver, of hij werd razend, begon mij uit te schelden, te vloeken. Hij moest van mij geen ‘commando’s’ ontvangen, niemand van de gevangenen mocht iets zeggen, en ik was een “ouwe zak”.  Dat laatste had ik al meer gehoord, van zowat elke nieuweling kreeg ik dit naar het hoofd geslingerd, maar bij deze nieuweling voelde ik mij niet op mijn gemak. Het scheelde niet veel of ik kreeg een vuistslag, maar er kwam een chef onze richting uit, en het ettertje vertrok. Veel heeft hij die eerste dag niet gewerkt, hij had wel steeds een borstel bij de hand, maar het grootste deel van de dag,  zat hij in de VTM-zaal, te genieten van de rode leren zetels. Voor mij werd het teveel, hij werd verwijderd uit de poetsploeg, en opnieuw werd ik geroepen op het rapport directie. Ik kreeg de raad om iets toleranter om te gaan met alles, want ze hadden gehoord dat ik “bazig” was. Ik was teleurgesteld. Ik meende het zo goed, ik dacht dat ik goed bezig was, En bazig ? Ja, misschien wel een beetje, ik had tenslotte meer dan 500 mensen in dienst gehad, maar ik deed echt mijn best om vriendelijk over te komen. Ik begreep niet dat ik zo negatief overkwam, ik wou het beste voor iedereen. Triestig.

Het was een gewoonte geworden, de luiaards, – waaronder mijn ettertje – die geen werk wilden, verzamelden zich iedere morgen in die zaal, waar ze zich nestelden in de rode zetels, en gewoon verder sliepen. Het vervelende van dit zaaltje was wel, dat het gelegen was naast een gang met vier grote ramen, voorzien van verduisteringsgordijnen, zware gordijnen, die het licht buiten hielden. Het was daar dan ook donker, en te donker om de gang fatsoenlijk te poetsen, voor mij geen half werk, en in het donker kon ik niets zien. Dus telkens als ik voorbij een raam kwam, opende ik het gordijn, poetste de omgeving, en sloot het gordijn snel opnieuw. Dit veroorzaakte wel protest bij de slapers, maar veel kon ik daar niet aan doen. Het duurde niet zo lang, ik had zeker geen slechte bedoelingen, maar netheid kwam voor alles. Amper was ik aan het tweede raam toe, of het ettertje kwam als een briesende leeuw aangestormd, en met één slag belandde ik, zwaar vallend op de grond. Ik was erg geschrokken, schreeuwde het uit, raakte in paniek toen hij voor een tweede keer uithaalde. Enkele chefs hadden het geroep gehoord, en renden bliksemsnel de gang in. Er was chaos. Er was geroep en getier. Iedereen liep door elkaar, en in de weg. De slapers waren klaarwakker . Polke, die net in de buurt was, snelde lijkbleek op me af, en keek opgelucht toe toen ik opstond. Een rapport werd opgesteld. Het was gedaan. Ik had gefaald.

Wederom werd ik bij de directie verwacht. De directie ging ervan uit dat ik het had uitgelokt, en het ettertje werd niet gestraft. Geweldloosheid, dat zo belangrijk was in Ruiselede, was een hol woord. En weer zweeg ik, ditmaal met tranen in de ogen. Ik kreeg de raad om mijn ontslag aan te bieden, in mijn eigen belang. Mijn idee van werken strookte niet met hun sociaal model. Verslagen, verdrietig, ellendig, gekleineerd, gekwetst , wat nog ? Ik kon niet beschrijven hoe ik me toen voelde. Dagenlang voelde ik de pijn, was eenzamer dan ooit, verlangend naar mijn gezin. Een emotioneel wrak. Het was allemaal teveel geworden.

Het ettertje werd buiten tewerkgesteld. Reeds de tweede dag sloeg hij opnieuw iemand tegen de grond. Onder politiebegeleiding werd hij dezelfde dag nog afgevoerd naar de gevangenis van Brugge.

Mijn job, mijn verantwoordelijkheid was ik kwijt, maar er werd niemand in mijn plaats , als ploegchef aangesteld, dus in praktijk bleef alles hetzelfde, alleen, ik werkte niet zoveel meer. Ik was het beu, en zag het niet meer zitten. Waarom zou ik me nog moe maken ? Doen zoals iedereen, er met een grove borstel doorgaan, werken omdat het moet. En als ik geen zin had, waren de rode leren zetels er nog om een dutje te doen. Waarom niet ? Als dat de normen en waarden waren, was ik bereid me aan te passen. Respect kon je er toch niet mee verdienen. Ik ging mezelf in de watten leggen. Het werd tijd dat ik vakantie nam. Hoog tijd.

Het was nu eenmaal zo. In mijn vroegere leven, toen ik nog vrij was, zou ik met dergelijke gebeurtenissen gelachen hebben. Maar hier waren details belangrijk. Echter… Hier was momenteel mijn thuis, hier moest ik verder. Samenleven met zestig gevangenen van diverse pluimage, zorgde voor vele frustraties en emotionele ontladingen. Alhoewel het regime vrij open was, bestonden er heel wat regels, en deze waren nodig, om het samenleven mogelijk te maken. En dat ging vaak moeizaam, normale mensen kunnen zich meestal goed aanpassen aan veranderingen, maar hier waren het geen echte normale mensen. Hier zaten criminelen. Hier moest men luisteren naar de chefs, en de regeltjes volgen. Het grootste probleem waren niet de chefs met hun regeltjes, maar de regeltjes met de chefs. Iedere chef interpreteerde regels persoonlijk, op zijn eigen manier ,wat bij de ene totaal verboden was, werd bij een andere oogluikend toegestaan. Sommige chefs toonden ook duidelijk hun voorkeur voor bepaalde mensen, wat dan weer extra frustratie gaf. Dit favoritisme was natuurlijk menselijk, maar bij de beoordeling van feiten, werd er met twee maten en twee gewichten gewogen, de ene mocht al wat meer dan de andere, en dit kwam al zeker niet ten goede van de onderlinge verstandhouding.  Gezien mijn kritische houding op het soms starre systeem, lag ik al helemaal niet op de bovenste plank.

Langzaamaan kreeg ik wel het vertrouwen van enkele chefs. Je zou zelfs van vriendschap kunnen spreken. Met één van  hen, een bruingebrande goedlachse man, kaal, dik in de vijftig, klikte het bijzonder goed. Toen ik pas was aangekomen, had hij me per vergissing ‘Marcel’ genoemd. Op zijn geroep reageerde ik dan ook niet , ik was een boek aan het lezen, en ik bleef gewoon verder lezen. Tot hij zijn stem verhief, en ik opkeek. Hij begreep het niet, begon kwaad te worden tot ik hem mijn naam vertelde, en hij in schaterlachen uitbarstte. Sinds die tijd bleef hij mij aanspreken met “Marcel”, een privé grapje, onder ons, dat we ook voor ons hielden. Maar het belangrijkste was zijn menselijkheid. Er was contact ontstaan met iemand die mens was, en mij als mens behandelde. Hij was daarbij zeer correct tegenover iedereen, en dat waardeerde ik enorm. Een eerlijke man, een goede man. Zo bestaan er niet veel. Ik had het geluk hem te ontmoeten en bevriend te raken in de gevangenis van Ruiselede.

Een tweede sympathieke man vond ik de adjudant, de slimste onder de groep bewakers. Hij was niet alleen een voortreffelijk en heel vriendelijke man, hij kon ook goed schaken, en was een beetje mijn leermeester.  Ik kon schaken zoals de meesten, aanvallen, verdedigen, en ‘stukken pakken’. Van de ondertussen overgeplaatste ploegchef had ik ook al heel wat bijgeleerd, maar dank zij de adjudant werd ik een betere schaker. Hij leerde me strategieën op te bouwen, en ik evolueerde snel van een middelmatige tot een betere speler. Hij was zeer rechtlijnig, en naar mijn gevoel ook erg rechtvaardig. Hij behandelde iedereen op dezelfde wijze, kende ook zijn mensen, en wist snel wie er de heethoofden waren.

Op een keer was er weer een nieuw ettertje in de onderhoudsploeg, die meer rondhing dan werkte. Hij had me al nors bekeken toen ik het werk uitlegde, en tegen de middag was hij nog geen meter verder geraakt. Toen ik hem hierover een opmerking maakte, werd hij furieus, en ging zich beklagen bij de adjudant met de woorden dat ‘ als die ouwe zak (ik dus )mij nog een keer iets zegt, dan sla ik hem de kop in’. De adjudant nam hem eens goed op, leunde over de balie naar hem toe en vroeg hem mee, om het aan de directie uit te leggen. Een uurtje later zat hij al op het busje naar Brugge. Dat was handelen, dat was de lijn trekken, en duidelijk zijn. Geen risico’s nemen, geen vermanend vingertje, geen straf, onverbiddelijk weg.

Er waren ook heel wat vrouwen onder de chefs. Echte vrouwen, met een goed hart, die zorgden voor hun mensen. Er was onder andere een lieve dame bij, ze was werkzaam op de boerderij, en ze wou alleen maar werkers in haar groep. Ze werd op handen gedragen. Ze moedigde haar mensen aan,  waardeerde het vele, en soms smerige werk, van “haar” gedetineerden,  motiveerde iedereen, zonder haar stem te verheffen, was erg zorgzaam, en vaak bracht ze van thuis taart, lekkers, koffie, van alles mee, alles om toch maar de groepssfeer hoog te houden. Altijd vriendelijk, altijd een goede morgen, altijd de vraag : “ Hoe gaat het”? Vriendelijk en menselijk zijn, zonder moeite, zonder zich te forceren, een natuurtalent, een hart op de juiste plaats. Perfectie in de gevangenis.

Er waren ook anderen, die bot en bitsig waren, humeurig en kortaf en hoogst waarschijnlijk dik tegen hun goesting leefden. Die zich superieur voelden, en het de gevangenen ook lieten voelen, en die niet geliefd waren. Ze waren er ook.

Ijsjes kon ik niet weerstaan. ’s Avonds, rond 21 u, konden we ons altijd een ijsje kopen. Mijn ‘uitgeleende’ jetons waren daar vaak terechtgekomen, maar dat was voorbij. In de warme avonden, het was bijna zomer, waren ijsjes een heerlijke herinnering aan thuis, een smakelijke flashback aan zwoele avonden op een terras, van lui op je ligstoel naar dansende muggen te kijken, van hand in hand naar de ondergaande zon te kijken, van onze rennende hondjes die speels en smekend ook trek hadden in ijs, kortom, genieten. Ik kocht er me altijd twee of drie. Het gaf een kick van voldoening in een triestig bestaan, om gelukzalig, in de rode zetels voor de tv te likken aan een ijsje. Het was zalig. Alleen.. het was verboden. Op de inkomdeur stond een groot “verboden te eten” bord. Niemand trok zich daar iets van aan, er waren chefs die een andere kant opkeken, terwijl sommigen dat niet deden. Dus er werd gesmikkeld en gesmakt dat het een lieve lust was. Er was ook camerabewaking, om een overzicht van de zaal te hebben. En op een avond hadden we een chef die niet de andere kant opkeek, en die mij eruit pikte, rapport directie, wegens eten in de VTM -zaal. Mijn laatste ijsje smolt in mijn handen. Ik zag Polke met zijn ogen dicht, een stuk koek uit zijn mond halen, en haastig verkruimelen. Rondom mij werden snel de zoete snoepjes weggemoffeld,  zakjes chips en chocolade weggestopt,  het geritsel was oorverdovend, maar de chef was selectief blind en doof, en ik bleef het enige slachtoffer die avond.

Erg was de straf niet, het was eerder een voorbeeld stellen, maar de chef had laten voelen wie de baas was, en ze voelde zich voldaan. Drie avonden de avondkuis doen. Dit was alles in orde zetten, zodat de zaak proper stond voor de volgende dag – iets wat ik eigenlijk altijd deed – een kwartiertje langer opblijven dan anders, en mijn straf zat erop. Het is nooit meer goed gekomen tussen de bewuste chef en mij, ik maakte mij steeds minder boos bij problemen, het interesseerde me niet meer, ik liet alles gelaten aan mij voorbijgaan . Maar, zoals gezegd, er waren nog altijd chefs die de andere kant opkeken.

De drugshonden waren terug. Al snuffelend liepen ze overal rond, op zoek naar verstopte drugs. Van onder tot boven, alles werd doorzocht, maar het resultaat was negatief. Geen drugs te vinden. De gebruikers waren slimmer dan dat. De boerderij was onoverzichtelijk groot, en het was onmogelijk om alles grondig te doorzoeken. En aanvoer was ook geen probleem. De verste uithoek was anderhalve km vanaf het hof, en aan de grens liep de grote verkeersweg Beernem-Ruiselede. De mazen van het net waren te groot, en konden niet gedicht worden. Vaak zag je groepjes gedetineerden een wandelingetje maken, richting verkeersweg. Ik zag het vaak gebeuren, en het bleef mij verwonderen dat de chefs dit niet opmerkten. Een wagen stopte dan aan een uithoek van het domein, en er werd verhandeld, gerookt en gesnoven. Iedereen kon zelfs ontsnappen,  je had maar in een wagen te stappen. Maar niemand probeerde het, de gevolgen waren te zwaar, de kans op vervroegde vrijlating kon je vergeten, je werd meteen overgeplaatst naar een andere gevangenis, veel strenger dan deze boerderij, neen, niemand nam het risico. Hoewel ze het charter van ‘Believe’ hadden ondertekend, waren er meerdere die drugs niet konden laten, en ze wisten het goed te verbergen. Éénmaal aan de drugs, is het zo moeilijk om er vanaf te geraken. Het was ook een beetje macho-gedrag, tonen dat men het durfde, respect verwerven van je collega’s, tegen de stroom ingaan, foert zeggen tegen het systeem. Ook al waren ze zo handig in het verbergen, vroeg of laat kwam hun drugsgebruik toch aan het licht. Op regelmatige basis waren er de urinetesten – wekelijks werden er een drietal gasten gecontroleerd –  en dan vielen ze door de mand. Eens waren ze alle drie positief. Drie jongemannen die het maar niet konden laten. Het verdict duurde niet lang. Busje op, contract weg,  en naar Brugge. In vergelijking met dit hier, was Brugge de hel, but who cares ? In Brugge kon je gemakkelijk en zonder problemen drugs bekomen. En dat was het belangrijkste. Voor het PLC waren dit telkens moeilijke momenten. Het was niet fijn dat de één na de andere drugsgebruiker vertrok, nadat ze zoveel energie gestoken hadden om iemand te helpen in hun drugsvrije beleid. Diegenen die overbleven waren een paar dagen kalm, de rust kwam terug, tot  een nieuw geval de kop opstak.

Ook ik besefte de moeilijke positie van het beleid. Was de directie te laks geweest ? Hadden er nog meer controles moeten gebeuren ? Waar zat de fout in het systeem ? Maar eigenlijk was ik niet verbaasd. De regeltjes waren te ouderwets, opgesteld in een periode dat het drugsgebruik veel minder, bijna onbestaand was. Het werd hoog tijd dat er vernieuwing kwam.

De eerste drie maanden vlogen voorbij, een rollercoaster van emoties, kleine en grote incidenten volgden elkaar op. Mijn moraal, mijn geest was afgesloten. Was het dan beter in Gent ? Natuurlijk niet ! Hier had je ruimte, de vrije natuur, de geur van grassen en bloemen, van leven op de boerderij. Hier werd gewerkt, je hoorde het loeien van koeien, het kloppen van hamers op paletten, het rammelen van emmers bij de poetsploeg. Het was begin zomer, en we probeerden zoveel mogelijk zon mee te pikken. Iedereen zag er bleek uit. Restant van het vroegere gevangenisleven in de cel.  Ik had het vaak heel moeilijk. Ik miste mijn familie, mijn hondjes, gewoon alles. Van de ene dag op de andere afgesneden zijn van je geliefden, om dan behandeld te worden als een crimineel. Het was hels. Het was onmenselijk. Je was verplicht een ander leven te leiden, verplicht te luisteren naar orders, verplicht te knikken. Je denken valt hier totaal weg. Het is mentaal zeer zwaar om van een actief en vrij persoon, te evolueren naar een soort plant. Alles wordt voor jou geregeld, je kan zelf niets beslissen. Zelfs de meest primitieve activiteiten, zoals eten, douche, slapen, alles is op commando.  Daarbij was ik totaal onwetend wat de toekomst zou brengen. Normaal verblijf je maximum twee jaar in Ruiselede, als voorbereiding op je vrijlating, maar ik was helemaal niet zeker hoe lang ik kon blijven. Ik had nu al een straf van drie en een half jaar gekregen, maar er waren nog vijf processen aan de gang, waar ik nog geen uitslag van wist. Die onzekerheid knaagde, en vaak lag ik uren wakker, te luisteren naar het gesnurk van mijn collega, en te piekeren over de toekomst. Ik huilde in stilte.

Dan komt de periode dat je het helemaal niet meer ziet zitten. Je kon kiezen, de knop omdraaien en proberen het leven te leiden, zoals het hier was, of je maakte er een einde aan. Deze gevoelens kwamen steeds vaker voor, ik rekende bij mezelf uit hoe lang ik maximaal nog zou moeten zitten. Het kon in totaal twintig jaar worden. Een moordenaar zou sneller vrijkomen dan ik. De moed zakte me in de schoenen. Ik was nu 64, zou ik de rest van mijn leven moeten slijten als een gedetineerde ? Tot ik tachtig jaar was ? Hoe meer dit tot me doordrong, hoe meer de zin om er helemaal mee te stoppen. Ik voelde me beschaamd, nutteloos, ten laste, en zonder toekomstperspectief. Wat zouden mijn vriendin en kinderen doen ? Hoe zou het met mijn moeder vergaan ? Ze was dement, opgenomen in een zorginstelling, zou ik ze nooit meer zien ?  Zou men mogelijks hier op het, weliswaar mooie kerkhof van het PLC Ruiselede, mijn eeuwige rustplek geven ? Allemaal vragen die door mijn hoofd tolden. Vragen, die niemand kon beantwoorden. Onophoudelijk piekeren, aanhoudend wikken en wegen. Zou ik het doen, zou ik het niet doen ? Ik werd steeds somberder, verstopte me soms in een hoekje, om dan urenlang voor me uit te staren, en piekeren. Lange wandelingen, vaak richting verkeersweg, waar ik aan het hekken verlangend uitkeek naar het verkeer. Vrij zijn. Een nieuwe depressie kwam om de hoek kijken.

Mijn doktersbezoeken begonnen zwaar door te wegen. Na elk consult kwamen er pilletjes bij. Op een bepaald moment slikte ik 23 pillen per dag, niets werkte nog zoals het hoorde, het hart, de suiker, het hoofd, noem maar op. Dit tot grote ergernis van de drugsgebruikers. Zij kregen niets. Ze werden jaloers op mijn hoeveelheid pillen, en soms probeerde een collega een pil te ontfutselen, maar ik had mijn psycholeptica, mijn tranquillizers, mijn slaappillen zelf zo nodig. Als ik in de spiegel keek zag ik een zombie, de medicatie werd steeds sterker.

Mijn grote geluk was mijn familie. Ze kwamen geregeld op bezoek, en hun overtuigende woorden hielpen mij om te geloven in later. Ook al hadden ze het zelf zo moeilijk, ze hielden er de moed in, en hun voorbeeld begon stilaan door te dringen in mijn rusteloos leven, en stilaan ook in mijn verwarde hoofd. Ze waren als extra vitamientjes, ze geloofden dat er een einde ging komen aan het gevangenisleven, en ze geloofden in de vele jaren dat ik nog zou doorbrengen met hen. Ik was blij dat die momenten er waren. Anders was het echt gedaan. En ik had natuurlijk Polke nog, mijn vriend. Zijn fiscusverhaal was uitverteld, maar hij leefde nu nog meer in het verleden dan ooit. De jaren ’60 om precies te zijn. Hij was toen een jonge man geweest, ikzelf een tiener , en we hadden de opkomst van de Beatles en Rolling Stones, de flower power, en de “make love not war” periode meegemaakt. Je weet wel, bloemen in het haar, oude Volkswagenbusjes en de overtuiging dat we de wereld gingen verbeteren. Zwart-wit tv, de eerste landing op de maan – mijn grootvader geloofde daar niet in : “allemaal cinema” volgens hem – een onbezorgde tijd. En vermits we niet aanhoudend konden schaken, was de wereld verbeteren een tweede goede optie. We hebben daar dus maanden aan gewerkt. Maar de wereld bleef zoals ze was.

Het eten in Ruiselede was echt voortreffelijk en voldoende. De keuken werd bemand door twee chefs, de ene een echte West-Vlaming, een man, eind de vijftig, kort van stof, een echte brombeer. De tweede was een wat jongere man, zo’n 45 jaar, geboren in Knesselare – ook mijn geboortedorp – en helemaal het tegengestelde van de eerste chef. Bij klachten of vragen ging je dan ook automatisch naar de jongere chef, hij probeerde zo goed als hij kon een oplossing te zoeken. De oudere chef aanhoorde je wel, knikte dat hij het begrepen had, maar er veranderde niets. Samen maakten ze een lekkere, goede, gezonde, ouderwetse grootmoeders keuken. De assistenten waren medegevangenen, allen van Belgische origine. Het was eigenaardig, dat de bevolking hier, op één na, allemaal echte Belgen waren. De enige vreemde vis was een in Gent geboren Turkse Belg. Er waren nog een aantal Vlamingen, die zich bekeerd hadden tot de islam, zodoende waren er een vijftal halal eters.

Alle groenten en het meeste fruit werd door het PLC zelf verbouwd. Hiervoor stonden enkele grote serres, ook onderhouden door een gedetineerde. De man was van opleiding tuinier, en had voldoende ervaring zodat we  eerste kwaliteitsgroenten op ons bord kregen. Hij was het perfecte gezinshoofd geweest, met twee kleine schattige dochtertjes. En een groot probleem : drank. Als hij eenmaal begon te drinken, kon hij niet ophouden, en jammer voor hem en zijn familieleden, hij werd dan telkens gewelddadig. Zodoende had hij zijn schoonvader eens het ziekenhuis in geklopt, met het gekende gevolg. Hier in Ruiselede was hij al snel van zijn probleem af, en was hij een voorbeeld voor anderen.

Elke gevangene had zo zijn verhaal, en de meesten hadden echt spijt van hun misdaden. Het goede eten had wel een groot nadeel. De naald van de weegschaal sloeg steeds verder door, en toen de weegschaal op een zeker ogenblik 93 kg aantekende, besloot ik wat meer beweging in mijn dagelijkse routine in te lassen.

Een heel wat moeilijker verhaal was de aanwezigheid van pedofielen in het PLC. Ze werden door de andere gevangenen, gemeden als de pest, vernederd, en soms zelfs fysiek aangevallen. Gedurende de tijd dat ik hier verbleef waren ze met zes. Zes mannen die het ondenkbare gedaan hebben, zes mannen die ziek waren. Zes mannen die ongelooflijk veel spijt hadden over het kwaad dat ze aangericht hadden. Alhoewel algemeen aangenomen wordt dat pedofielen oude mannen zijn, was dat hier niet het geval. Hun leeftijd varieerde tussen de dertig en eind vijftig. Hoe kon iemand zoiets schokkends doen als mens ? Kon men als mens nog dieper zakken? Hoe kon je zo laf zijn, eigen kinderen, of iemand anders kinderen hun leven kapot te maken ? Waarom werd moord beter aanvaard dan pedofilie ? Een zwaar misdrijf was het, onbegrijpelijk voor de meeste mensen.  Als geboren echte christen kon ik me niet vinden in de Arabische houding van oog om oog, tand om tand, zoals het gebeurde in de Gentse gevangenis. Voorzichtig zocht ik contact met hen. Want, begrijp me niet verkeerd, ik sta absoluut aan de kant van de mensen die dit veroordelen.

Ik was eerder nieuwsgierig, ik wou hen beter kunnen begrijpen, ik wou proberen de diepe ondergrond van deze gepleegde feiten te achterhalen. De mannen hadden in de gevangenis al zoveel meegemaakt, dat het even duurde vooraleer ik hun vertrouwen kreeg. Het eerste wat mij opviel was – ik spreek hier wel enkel over de zes mannen in Ruiselede – dat het zeker geen domme mensen waren, ze behoorden tot de hogere sociale klasse , en hadden een goede opleiding gehad. Zo zaten er onder meer een leraar, een verpleger, een politiecommissaris… en iedereen weet dat een aantal priesters ook schuldig waren. Zoals eerder gezegd, het was volgens het interne gevangenissysteem onder de gedetineerden verboden met deze mensen te praten, ze werden beschimpt en bespuwd. Het waren de paria’s onder de gevangenen. Ik stoorde mij daar niet aan. Soms schaakte ik met enkelen. Wie ben ik om iemand anders te veroordelen ? Het waren mensen die een grote nood hadden om hun levensverhaal aan iemand kwijt te kunnen. Ze wilden zich als het ware verontschuldigen voor hun daden, ze begrepen dat ze een ernstige misdaad hadden begaan, en dat dit brandmerk hun ganse verdere leven zou blijven achtervolgen.  Ze zochten wat vriendschap om toch een sprankeltje menselijke warmte te ondervinden. Het waren mensen, verlaten van iedereen, zelfs de kinderen waren weggebleven , en dat kwam zeer hard aan. Enkel de ouders kwamen al eens op bezoek.

Langzaam maar zeker, en na vele gesprekken, – het ene wat diepgaander dan het andere, kwam ik tot de overtuiging dat deze mensen ziek waren. Hun verhalen waren emotioneel, eerst dacht ik zelfs dat ze onecht, fake  waren , dat ze mijn medelijden zochten, dat ze mij probeerden te manipuleren, maar ze waren echt. Deze mensen deden hun uiterste best om zo goed mogelijk op het rechte pad te geraken. Er was hier dan ook heel wat begeleiding, die echter nog niet perfect liep. Zoals in elke overheidsinstelling, was er een tekort aan personeel.

Hun verhaal was in die mate gelijklopend dat ze allen verklaarden dat hun misdaad gebeurde onder een soort dwang. Ze konden zich niet bedwingen. Dit wijst wel op psychische zwakheden, met fysiologisch zware gevolgen. Het was sterker dan henzelf. Ze wisten dat ze verkeerd waren, maar hadden de kracht niet om zich ertegen te verzetten. Er was een patroon aanwezig, dat helemaal afwijkt van het normale. Ik kon me echt niet voorstellen dat een normaal denkend mens zoiets zou kunnen ondernemen.

Ik ben geen psychiater, maar als er in het hoofd iets flink mis is, dan is dit,  volgens mij, een soort van ziekte. En zieken horen niet thuis in een gevangenis, maar in een zorginstelling. Zieken hebben medische hulp, medicatie, begeleiding en opvolging nodig. Sinds het tijdperk Dutroux is er op het gebied van maatschappelijke standpunten heel wat veranderd. Men is radicaler geworden, meer geneigd om het aloude ,oog om oog, tand om tand, door te voeren. Er zijn inderdaad zware gevallen – oa. Dutroux – maar, zoals altijd, mag men niet iedereen over dezelfde kam scheren.

Hoe langer ik hier verbleef, hoe meer ik me ging aanpassen aan het systeem. Een leven dat je nooit zou willen meemaken. Maar als er niets anders is, kan je ook niets anders dan zoveel mogelijk meedoen. Dagen leken allemaal op elkaar, alleen de sterkte van de dagelijkse incidenten verschilden. Elke dag was er wel iets te beleven, we keken er zelfs al naar uit, we wisten onmiddellijk wat er gebeurde, want de tamtam deed zijn werk. Elke dag ging er wel iemand weg, en kwam er een nieuwe binnen. Ondanks de aanpassing van mijn gewoontes, bleef ik me steeds meer en meer ergeren aan de gang van zaken. Niet efficiënt zijn was voor mij,  als aannemer, een doorn in het oog. Om te helpen wat orde in de chaos te brengen, stuurde ik vaak ideeën en voorstellen door naar de directie. Pagina’s  schreef ik vol met mijn bemerkingen, en stelde eventuele oplossingen voor, maar het werd me niet in dank afgenomen. Integendeel.

Voor de zoveelste keer : rapport directie. Het ging over mijn voorstellen. De directrice klonk vijandig, de toon was meteen gezet. Dat ze geen notities van mij meer wou ontvangen, dat zij alles afwist van groepsdynamiek, en dat zij, gezien haar ervaring er heel veel van afwist. Ik dacht niet voldoende aan veiligheid, en ik diende mij vooral niet bezig te houden met bemerkingen omtrent de personeelswerking. Dat behoorde niet tot mijn taak, maar wel tot de hare. Punt. Daar kon ik het mee doen. Volgens haar moest ik me bezig houden met andere zaken, en meteen werd de uitslag van een nieuw proces op tafel gelegd. Waar ik eerst nog wat schuchter naar de directie luisterde, was ik nu vol aandacht. Ik voelde mijn benen trillen toen ik het verdict las. Ik was in beroep veroordeeld tot 35 maanden straf, iets waarvoor ik in eerste aanleg nog 18 maand had gekregen. Ik stond perplex. Waarvoor had ik eigenlijk een advocaat ? Waarom oordeelden twee verschillende rechters op twee verschillende manieren ? Zo zie je maar dat de ene rechter de andere niet is. Justitie met twee maten en twee gewichten. Alhoewel het bijna zomer was, kreeg ik het koud, ijskoud, en begon nog meer te beven. Ik zou Ruiselede moeten verlaten, want door die bijkomende straf werd de totale duur weer langer.

Normaal wordt het verdict binnen de veertien dagen of maximum een maand betekend, en dan moet je weg uit Ruiselede. Je kon daar niet blijven als je meer dan twee jaar van je voorlopige invrijheidstelling zat. Ik dacht er veel aan, maar het formulier bleef uit, en het leven ging zijn gewone gang.

Polke en ikzelf hoorden in het PLC bij een groep ouderen, een redelijk grote groep zelfs,  mensen die rustig leefden, en sterk relativerend waren. Gemakkelijke mensen ook, maar met andere noden en andere interesses  dan de jongeren.  In de Belgische gevangenissen zijn er ongeveer 260 mensen ouder dan zestig jaar. En voor die groep  is er helemaal geen aangepast beleid.  Alles samen vertegenwoordigden ze zo’n twee % van de gevangenispopulatie.  Hier waren het ongeveer tien %, een redelijk grote groep. Ze verlangden naar stilte, naar andere tv-programma’s, hadden andere behoeften en zorgen dan de jongeren, die veruit in de meerderheid waren. Zou het nu echt zo moeilijk zijn, om in de bestaande gevangenissen een aparte vleugel voor te behouden, voor de ouderen ? Met een wat losser regime ? Zoals wat meer de celdeuren openzetten, misschien samen eten, samen wandelen, samen douchen, en zo veel meer. Het zou een ideale situatie zijn, want ook oudere cipiers konden zo meer relaxt werken, als voorbereiding op hun pensioen. En er kwam personeel vrij om de jongeren beter te begeleiden. Deze zaken hielden me bezig, gedurende de lange zomerdagen. Ik hoopte dat hier ooit verandering in zou komen.

Zoals het er hier momenteel aan toe ging, had het meer weg van een college, een internaat, waar de leerlingen vervangen werden door criminelen van allerlei slag. En ja, soms ook echt crapuul. En de instelling had de taak om al deze mensen te helpen, en voor te bereiden op hun vrijlating. De staf organiseerde dan ook regelmatig activiteiten, waarbij ook familie en buitenstaanders betrokken werden. Opendeurdag, karaokeavond, filmavond, personeelsfeest, 21 juli, noem maar op.  Alles werd gedaan om het normaliseringsprincipe in praktijk te brengen. De drukte en het lawaai, waren soms teveel voor mij, ik kon er niet zo goed tegen,

Polke was nog steeds mijn schaduw. Hij was een stap hoger geklommen onder de gedetineerden. Op een nacht had hij, als zware snurker, een bewaker ongewild, bij de keel gegrepen. Hij nam slaapmedicatie, en was in een sub-coma toen het gebeurde, en wist dus van niets. Maar sindsdien keken de andere gevangenen hem met bewondering aan, de kleine man was ferm in hun achting gestegen. Polke voelde zich daar goed bij, en vertikte het om de waarheid te vertellen. Geregeld dacht ik nog aan de bijkomende straf die boven mijn hoofd hing, maar ik hoorde er niets meer van. Waren ze mijn dossier kwijtgespeeld ? Ik hoopte het. Ik was het hier ondertussen zo gewoon geworden, ook al was ik mijn vrijheid kwijt, hier voelde ik me na een tijdje toch een beetje thuis. Hier waren geen sleutels, geen wandelingen tussen betonnen muren, en geen schreeuwende gevangenen in hun cel. Maar ze waren me niet vergeten. Vijf maand na betekenis werd ik op een kille zondagmorgen bij de directie geroepen. Ik had er geen gerust gevoel bij, vroeg of laat ging het gebeuren, ik wist wat mij te wachten stond. Koudweg kreeg ik te horen dat ik morgen, maandag  om acht uur, zou vertrekken naar de gevangenis van Beveren. Polke en ik waren net volop de wereld aan het verbeteren.  We waren nog niet klaar.

Het nieuws viel in als een bom. Ik zou hier vertrekken. Ik werd er ongemakkelijk van, ik moest gaan zitten van emotie. Tranen prikten in mijn ogen. Opnieuw moest ik Polke achterlaten, hij zat me verschrikt aan te kijken, kon het niet geloven. Velen waren bezorgd om mij. Ondanks de grote variatie aan mensen en ideeën, voelden ze medeleven, er was een beetje een wijgevoel. Zoiets van : waarom moet die ouwe weg ? Die ‘neuzenmaker’, al bij al was hij toch een goede gast. Een zagenvent dat wel, maar ze zouden me missen. Iedereen wist dat het hier, ondanks de ongemakken en de regeltjes, wel goed te leven was. Het was hier niet echt een gevangenis. We zouden elkaar wel opzoeken en op de hoogte houden, we zouden schrijven, maar daar had ik niet veel hoop op. Iedereen kent het gezegde : uit het oog, uit het hart. Ik maakte me dus helemaal geen illusies. Ze zouden wel schrijven, maar ik wist nu al dat het eenmalig zou zijn, men vergeet zo snel.  Ik zou de meesten niet meer terug zien.

Veel tijd om na te denken of te overleggen, had ik niet. Binnen de vijftien uur zou ik hier al weg zijn. Weer naar een andere gevangenis, en dat op geen jaar tijd. Men gaf mij een houten bakje, om het meest noodzakelijke mee te kunnen nemen, al de rest van mijn bezittingen zouden nagestuurd worden. Ik nam afscheid van chefs en medegevangenen, van mijn snurkende kamergenoot, en vooral van Polke. Ik was nog niet weg, en ik had al heimwee.  En dat was het.

Mijn vakantie was gedaan.

Advertisements