De stadsbus kwam langzaam tot stilstand, en spuwde zijn warm ingeduffelde – het was een koude dag – passagiers op het natte voetpad, voor het indrukwekkende gebouw. Lachende gezichten, gekleurde gezichten, kwebbelend, luisterend, anderen zwijgzaam, bedrukt, de ogen neergeslagen.
Vanuit mijn warme wagen bekeek ik het tafereel. Mijn vriendin, naast mij, probeerde zich sterk te houden, maar kon haar ongerustheid niet verbergen. Ze zag er bleek en vermoeid uit, na enkele slapeloze nachten. Mensenlief, wat had ik medelijden met haar.
Gierend trok de bus op, vervolgde zijn weg, braakte nog een blauwe walm uit, en was na enkele ogenblikken uit het gezicht verdwenen.
Bij mij gierden de zenuwen door mijn lijf, de angst kwam in vlagen aanzetten, ik slikte. Dat mooie, imposante gebouw, zou een tijd mijn “thuis” worden.
De gevangenis van Gent, in de volksmond ‘De Nieuwe wandeling” genoemd. Dit laatste klonk wat sympathieker, maar het is en blijft een gevangenis.
Enkele dagen voordien had ik – totaal onverwacht – een brief ontvangen van de FOD ( Federale, Ombuds Dienst) Justitie, met de uitnodiging me aan te bieden in de Rijksgevangenis, en dit binnen de drie dagen. Ik had amper de tijd om mijn werk op te zeggen, me klaar te maken, en afscheid te nemen van vrienden en familie.
De inhoud van de brief was veelzeggend : “ Wij hebben een aanbeveling gekregen, waarbij u meer dan drie jaar straf hebt ( drie en een half jaar om precies te zijn). Dit wil zeggen dat u niet langer van een enkelband kunt genieten, maar dat u moet binnenkomen. In België kunnen straffen tot drie jaar, uitgezeten worden met enkelband in uw woonplaats.
“Aanbeveling”, wat een mooi woord. Het deed me denken aan een sollicitatie, waarbij je soms aanbevelingen mee kreeg. Maar hier was dit wel iets anders. Een mooi woord kreeg plotseling een helse betekenis. Een schrikwekkende betekenis. Een volledig onbekende betekenis. Naar de gevangenis, mijn leven achterlaten… het overweldigde me. Een heleboel vragen raasden door mijn hoofd. Wat is eigenlijk een ‘gevangenis’ ? Wat kan ik mij daar bij voorstellen ? Opgesloten als dieren in een kooi, zoals in een dierentuin ? Trotse vissers die vissen vangen ? Maar een mens ? Het opperste wezen van alle dieren, het enige dier dat de goddelijkheid in zich heeft, gevangen ? Ik had hier en daar al eens iets gehoord van het leven in een gevangenis, maar was daar nooit blijven bij stilstaan. Een ver-van-mijn bed show. Dat zou mij toch nooit overkomen. Van mezelf wist ik dat ik een goed mens was. Ik hield van mijn vriendin, mijn kinderen, mijn werknemers, ik zou geen vlieg kwaad doen, ik was geen misdadiger.
Alhoewel, op dat ogenblik zat ik verstrikt in een juridisch kluwen, met verschillende uitgesproken zaken, enkele nog in afwikkeling. En ja, er waren al straffen uitgesproken. Lichte straffen : een half jaar, één jaar, twee jaar, anderhalf jaar.. kleine straffen, en alle met betrekking tot financiële delicten. Maar, helaas, zoals het vaak gebeurt, vele kleintjes maken iets groot. En dan komen we tot meer dan drie jaar. Met een aanbeveling.
Nadat ik met trillende handen de brief doorlas, was ik ontzet, ik kon mij helemaal niet voorstellen wat er mij te wachten stond. De moed zakte in mijn schoenen, mijn wereld begon in elkaar te vallen. Familie en vrienden namen het luchtig op : “ een man van meer dan zestig jaar, houden ze niet lang vast, het zou niet lang duren of je bent opnieuw vrij, er was zelfs iemand die beweerde dat ik daar goed verzorgd zou worden, net niet in de “watten gelegd, maar toch, het zou niet veel verschil maken. Fluitje van een cent. Geen probleem. Vakantie. Voor je het weet, ben je terug thuis. En als je thuis bent, gaan we eens goed lachen met je avonturen”.
Mijn zelfvertrouwen kwam, dank zij hen, terug. Het zou niet erg zijn. Zeker niet. Geen probleem. Fluitje van een cent. Die gratis vakantie kwam net op tijd, ik voelde mij wat overwerkt. En later, gaan we eens goed lachen.
Tot ik in mijn wagen voor de zware poort, naar de kwebbelende vrouwen stond te staren, en besefte dat ik niet meer terug kon. Afscheid nemen van alles. Een laatste groet…
Iets voor drie uur in de namiddag, stond ik aan de receptie ‘ de nieuwe wandeling’, waar een grimmige receptioniste mij boven haar brilletje, nors stond op te nemen. Een receptioniste is normaal het ‘visitekaartje’ van een bedrijf, een eerste goede indruk was belangrijk. Voor mij waren dat jonge, of minder jonge dames, die vriendelijk inlichtingen gaven, facturen klasseerden, brieven tikten, en bezoekers ontvingen, en dat steeds met de glimlach. Ik kende nogal wat instellingen, ziekenhuizen, verzekeringen, banken, zelfs bepaalde openbare diensten, zoals waterbedelingen en nutsvoorzieningen. En allemaal hadden ze die ‘receptie glimlach’. Allemaal. Hier was ik duidelijk niet aan de deur van een klantvriendelijk bedrijf. Hier was het een instelling, een ‘penitentiaire instelling’, glimlachen was hier niet nodig. Door de tijd heen was die glimlach verloren geraakt.
Blijkbaar had ik haar niet zo goed verstaan, zij achter dik glas, ik gestresseerd, wist niet goed wat ze wou.. Ik kreeg meteen mijn eerste ontgoocheling te verwerken, en mijn eerste lading verwijten naar mijn hoofd geslingerd. Alles moest volgens het ‘boekje’. Wist ik veel wat het ‘boekje’ was. Eventjes dacht ik, hoopte ik, dat ze me zou terugsturen…
De norse dame controleerde mijn gegevens, of ik wel binnen mocht, want niet iedereen krijgt het voorrecht om naar binnen te gaan. Er waren strenge regels. Enkel met de juiste papieren werd men toegelaten. Spontaan kwam het beeld bij me op van Sint Pieter, voor de hemelpoort, die besliste met welke papieren men naar de hemel kon, en met welke papieren men meteen richting hel werd verwezen. “The port to hell”.
Een hemel zou het hier zeker niet worden.
Het was 14.58 u op zes februari 2014.
Ik zat binnen. De Nieuwe wandeling, here we are !
Net voorbij de receptie kwam ik, langs enkele gesloten metalen hekkens – deuren – terecht in het administratieve blok. Bij elke gesloten deur voelde ik me kleiner worden, ik verschrompelde met de minuut. Het steeds maar rinkelende en ratelende geluid van sleutels was zo overheersend, dat het maanden zou duren, vooraleer ik het wat gewoon was, en het kon loslaten. Het beklemmende gevoel van verlies van vrijheid, werd steeds sterker, na elke gesloten deur, na elke ratelende sleutel. Mijn ademhaling versnelde, mijn hoofd voelde vreemd aan, mijn voetstappen klonken hol, en vertraagden. Was dit geen nachtmerrie, zou ik straks opgelucht ontwaken ? Neen. Het was echt, ik zat binnen, maar geraakte ik ooit wel terug buiten ?
Het was vijfentwintig jaar geleden, maar ik herkende het meteen. Het administratieve blok. Een vleugje hoop flakkerde op. Ik kwam op bekend terrein. Als aannemer van bouwwerken was ik hier- als bedrijfsleider – meerdere keren op bezoek geweest. Langs buiten kende ik de gevangenis vrij goed. Met mijn bouwbedrijf hebben we toen een vleugel voor de administratie gebouwd, en alhoewel ik een werfconducteur had, om de werken op te volgen, kwam ik zelf herhaalde malen hier naartoe. Het was ergens een abnormale aantrekkingskracht die in mij ontstond om de ‘werf’ te gaan bezoeken. Toen al leek het voor mij een wereld apart, een wereld vol geheimen, een duistere wereld, vol beweging en activiteiten die het daglicht niet mochten zien. Net zoals de gedetineerden. Mijn eerste bezoek aan de werf kon ik mij nog steeds goed herinneren. Een lange inkomgang leidde naar twee of drie poorten, waar we met een bezoekerspasje, op een binnenkoer terechtkwamen. Dit was de dienstingang van de leveranciers. Vanaf daar kwamen we, via een korte weg langs de gevangenismuur, bij de werf. Die muur was tekenend voor een gevangenis. Een hoge muur, ongeveer 3,5 niveaus hoog, vol met kleine raampjes, met traliewerk als extra versterking. Dit beeld bleef steeds op mijn netvlies branden, voor altijd, en mijn visie omtrent een gevangenis bleef altijd bij dit ene beeld. Voorheen was ik blijven vasthouden aan het idee, van een in zwart en wit streepjespak gestoken figuur, met een zware bol aan zijn been, zoals boeven vroeger werden afgeschilderd. Ja, ik beken, ik was een fan van Lucky Luke en van de Daltons.
Niet één, maar verschillende mensen stonden te schreeuwen achter hun geopende venster, met traliewerk. Deze vensters zaten op hoofdhoogte, zodat je wel naar boven ( de hemel ) kon kijken, maar niet naar beneden. Zij zagen dus niemand. Voor mij leek het wel of ik terecht was gekomen in een psychiatrische instelling, hun gehuil en geroep sneed door merg en been. Het was niet normaal. Neen, hier zou ik nooit terecht komen, ik, als semi intellectueel zou hier nooit komen, dat was niet voor mij. Mensen, zoals ik, komen niet in den bak, want ze hebben karakter. Ze kunnen zich beheersen, ze kunnen niemand kwaad berokkenen. Ze hebben een goede opvoeding gehad. Mensen zoals ik zouden nooit in de gevangenis geraken, daarvoor hebben ze teveel respect voor anderen. Het past trouwens niet in het leven van een hardwerkend mens.
Mijn idee omtrent een gevangenis werd bij mijn eerste werfbezoek dus helemaal bevestigd : een verzameling criminelen, opgesloten achter tralies. Hun verdiende loon. Moesten maar niets misdaan hebben.
Maar was het niet Bob Dylan die ooit zong : ‘but the times, they are a changing’?
Bij mijn aankomst in dit administratieve blok wamen al deze herinneringen als een film terug boven; ik werd er zelfs wat emotioneel van, dat gevoel van herkenning, na vijfentwintig jaar. Ongewild rechtte ik mijn rug, een beetje een stoer gevoel. Een beetje een gevoel van ‘thuis’ komen in een vertrouwde omgeving. Waar waren die blauwdrukken ook alweer, en die ondergrondse gangen…. Totdat :
“ Mijnheer De Munck, uw identiteitskaart, I-phone afgeven en uw geld”.
Drie zaken die staan voor : iemand zijn naam (ID) , vrijheid (I-phone), en macht (geld). De port to hell was open.
Nu was ik alles kwijt wat me dierbaar was. Mijn stoerheid van daarnet zakte als een pudding in elkaar. “ Alles wordt voor u bewaard tot je buiten gaat “. Aha, men spreekt over buitengaan. Dat had ik goed gehoord. Ook zij denken dus dat ik hier niet zo lang zal blijven. De moed flakkerde even terug op. Ik zou die paar dagen of weken, misschien zelfs enkele maanden wel overleven. Binnenkort was ik terug thuis. En kon ik alle nare ervaringen uit mijn geheugen wissen, en verder gaan met mijn echte leven. Geen probleem. Fluitje van een cent. Enkele dagen mij in de ‘watten’ laten leggen zou me deugd doen. Net als die vakantie.
Aarzelend keek ik om me heen. Ik was hier niet alleen. Er stonden enkele zitbanken waar een wachtende klant verveeld voor zich uit keek. De man haalde een pakje sigaretten tevoorschijn, en, met een nu tevreden gezicht, blies hij de rook voor zich uit. Het reactievermogen van de dienstdoende penitentiaire beambten was adembenemend. Vliegensvlug stonden een drietal van hen meteen naast de zondaar, en werd hem vriendelijk – ja, echt ! – de keuze gesteld : sigaret uit, of bak in. De brave man, die geen Nederlands kon lezen, en blijkbaar ook het internationaal teken voor ‘verboden te roken’ niet kende, of niet wilde kennen, of wel kende, maar het gewoon negeerde, voelde de bui hangen, en zijn ‘trooststokje’ verdween. Op zich, een onopvallend klein incidentje, maar het typeerde wel de overdreven reactie van de beambten, de angst, en de drang om toch maar binnen de regels te blijven, en de straf die daarop zou volgen. Want regeltjes zijn belangrijk. Erg belangrijk. Het zou de leidraad zijn in mijn toekomstig leven in de gevangenis. Regeltjes.
Na de administratieve formaliteiten, werd ik naar het centrum van de gevangenis geleid. Een grote ronde ruimte,met op het gelijkvloers allerlei soorten diensten.
Ik mocht plaatsnemen in een kleine wachtzaal, die onmiddellijk gesloten werd. Hoeveel gesloten deuren had ik nu al achter de rug ? Vijf ? Of waren het er meer? Ik was gewoon aan open wachtzalen bij het bezoek aan een dokter, of tandarts, geen gesloten. Het huiselijke gevoel dat ik eerder had, verdween, ik begon me wat ongemakkelijk te voelen. Ik had een hekel aan wachten, ik maakte vroeger dan ook altijd afspraken, en zou er niet aan gedacht hebben om ook maar één minuut te laat te komen. Anderzijds verwachtte ik die stiptheid ook van anderen, ik kwam nooit te laat, dus van anderen werd hetzelfde geëist.
Andermaal werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt. Deuren werden altijd gesloten, gedetineerden moeten altijd wachten. Het eerste voor de veiligheid – zagen ze dan niet dat ik nooit iemand zou kwaad doen ? Zag ik er echt als een zware crimineel uit ? Het tweede was eenvoudig : een gedetineerde heeft alle tijd van de wereld. Dus alles gesloten, en wachten. Eindeloos wachten.
Na enige tijd werd ik gehaald, en met een lintmeter werd mijn buikomtrek gemeten. In mijn naïviteit dacht ik dat het de eerste stap zou zijn naar een gezondheidskuur. Het bepalen van mijn vetgehalte, om daarna, mits een uitgebalanceerd dieet en sport, een streefcijfer te halen, en voldoende af te vallen. Januari, en de bijhorende feesten waren voorbij, de goede voornemens zaten ook al in de prullenbak, en ja, ik weet het, hier en daar was een kilootje blijven plakken.
Niets was minder waar. In het normale leven kende ik de maten van mijn kledij, een goede verkoopster kon de maat meestal zelf goed inschatten. Maar hier, in de gevangenis, was de buikomtrek de maatstaf voor je maten. Geen Italiaanse confectiepakken, geen Armani, zelfs geen Zeeman, het was de Belgische Nieuwe Wandeling haute couture.
Weer het wachtkamertje in, opnieuw het irriterende geluid van een sleutel. Weer opgesloten. Weer wachten.
Niet lang daarna verhuisde ik opnieuw naar een volgend kamertje. Volledig uitkleden, en dan in nog een volgend kamertje ernaast, opnieuw ‘heraankleden’. Ik begreep het niet goed. Waarom eerst uitkleden, om dan zich opnieuw aan te kleden ? Plotseling begreep ik het. In het tweede kamertje lag mijn gevangenisplunje op mij te wachten. De kledij die, van een gewone burger definitief een tweederangsburger maakte, een gevangene, het begin van een verdwijning in de anonimiteit. In adamskostuum bewoog ik me onzeker, voorbij de “chef”. Zelfs de sokken weren niet van deze aarde. En de zware bol ontbrak.
De incheckprocedure was afgerond, ik had toen al zo’n tien verschillende mensen ontmoet, voor iedere stap van inschrijving bleek een ander persoon verantwoordelijk te zijn. Elk zijn eigen jobke. Er was hier inderdaad veel te doen. Niet echt efficiënt volgens mij. Van samenvoegen, of één persoon de ganse procedure op zich laten nemen had men waarschijnlijk nog niet gehoord. Efficiëntie was het derde woord dat ik moest onthouden.
Eindelijk, onder begeleiding van een zwijgzame beambte, werd ik via het centrum, naar één van de vier armen, naar cel 518 gebracht. Het was druk onderweg, heel wat personen bewogen zich slenterend, soms in groepjes naar hun cellen. “Het vierarmenkruispunt”, dacht ik bij mezelf, maar dan zonder files, en zonder wagens. Enkel een stroom van mensen.
Later zou ik vernemen dat ‘het centrum’, want dit was de functionele benaming, een zeer merkwaardig punt was in de geschiedenis van het Belgisch gevangeniswezen. Als u mij het toestaat, geef ik nog een stukje architecturale geschiedenis van dit punt. De gevangenis van Gent, alsook de meeste andere gevangenissen in dit land, werden gebouwd in de periode 1850 – 1900. En dit allemaal volgens het Ducpétiaux – model. Een model, dat bestond uit een rond centrum, dat het middelpunt uitmaakte van vier gangen, drie niveau’s hoog. Alle niveau’s waren, via afsluithekkens, volledig van elkaar en van het centrum afgesloten. De eerste zo gebouwde gevangenis was in Leuven, Gent volgde later. Op dat ogenblik was België toonaangevend, wat betreft de manier en inhoudsgeving rond het gevangeniswezen. Gevangenissen van toen werden gebouwd om te heersen. Het absolute vermijden van samenleven der gedetineerden ( de ene kon de andere besmetten..) en het volledige af- en opsluiten van de gedetineerde, omwille van het veiligheidsgevaar. De gevangene kwam volledig alleen te staan, en kreeg enkel bezoek van een aalmoezenier, die hem tot betere inzichten mocht brengen.
Het resultaat van deze manier van afsluiten, had dan ook desastreuze gevolgen. Niemand kwam voorbereid terug in de gemeenschap. Recidive was dan ook zeer hoog ( Ducpétiaux 1804 – 1865 ). Jarenlang was dit systeem de norm, werden her en der gevangenissen gebouwd, om dit restrictieve beleid in stand te houden.
Een volgende fase, was de periode van Le Corbusier ( 1887 – 1965 ), dat vooral in Frankrijk een enorme invloed had. Zijn motivatie was, dat architectuur een enorme sociale invloed zou hebben. Na hem kwamen we in de periode OMA (Offician for Metropolitan Architects), ook gekend als Rem Koolhaas, uit Rotterdam. Hij studeerde in 1972 af in Londen, en hij bleef benadrukken dat de architectuur een sterke relatie heeft tot de maatschappij. Hij kreeg in Nederland de opdracht een nieuw concept uit te denken voor gevangenisgebouwen. Zijn eerste grote verandering was het afbreken van de centrale koepel, het zogenaamde panopticon model. Centraal plaatste hij twee circulaire banen, waarlangs het gemeenschapsleven passeerde.
Toeval of niet, ik had iets te maken met gevangenissen. Naast mijn bouwwerkzaamheden in Gent, bouwde ik ook vijf jaar lang voor Rem Koolhaas, en dit in Parijs. Samen maakten we een aantal unieke concepten, de ene als architect, de andere als aannemer. Stond mijn verblijf hier in de sterren geschreven ?
Hoe belangrijk de periodes Le Corbusier, en Rem Koolhaas, hoe moderner hun opvattingen ook waren, de Belgische staat hield er helemaal geen rekening mee, en bouwde, in opvolging van het masterplan ( Stefaan De Clercq 2008 – 2014 ) de nieuwe gevangenis in Beveren, volgens het oude Ducpétiaux model, alleen gebruikte men nieuwe materialen en technieken.
Gent maakte, als eerste gevangenis, een opening in het Ducpétiaux model. Dank zij een intelligente directeur, die op een bepaald moment alle afsluitingen rond de centrale kern liet afbreken, om zodoende een groter gevoel van openheid te geven, en hierdoor het groot aantal frustraties zienderogen zag afnemen, doordat er meer contact was met de mensen.
Wat stond me te wachten achter de dubbel dik gepantserde stalen deur van cel 518…..
Opnieuw produceerden de sleutels hun enerverend geluid. De deur zwaaide open, naar binnen, en daar stond ik dan tegenover mijn celgenoot, mijn copain. Een Afrikaan, zwart, jong, wat afgetraind keek me onverschillig aan. Ik stelde me voor, vriendelijk, warm, mijn aard. Mijn naam, toegestoken hand, geen reactie. Was hij Franstalig ? De meeste Afrikanen spreken Frans, een gevolg van de kolonisatie in vroegere tijden. Geen probleem. Ik ben voor een multiculturele samenleving, en heb Italianen, Turken, Spanjaarden, Polen, Portugezen, Marokkanen en Tunesiërs in dienst gehad, waar daar altijd heel tevreden over, en kon me redelijk goed en fatsoenlijk uitdrukken in het Frans.
Dat ik nu zou samenwonen met een Afrikaan, in een celletje van twee meter op drie meter, ofwel zes vierkante meter, en in dergelijke omstandigheden, dat was eventjes schrikken. vroeger, in mijn studententijd, had ik een aantal jaren samen gewoond op kot, met een viertal medestudenten. Één van hen was François, een zwarte Afrikaan. Een lieve man, maar zorg en properheid waren niet de belangrijkste woorden in zijn woordenschat. Verder een erg aangename man, maar orde houden ? Daar dienden vrouwen toch voor ?
En weer flitsten ontelbare vragen door mijn hoofd. Ik was nog geen drie uur binnen, en had al zoveel te verwerken gekregen, zoveel totaal nieuwe, onbekende indrukken, zoveel nieuwe mensen. Emotioneel begon het me teveel te worden.
Ik werd dus afgezet in dat kamertje, met een doos vol staatseigendom, met daarin eetgerief, lakens, een deken, handdoeken, dus basismateriaal. Langs de zijmuur van de cel stond één klein bedje. Het stelde me ietwat gerust, met een deken in een hoekje kruipen, dat is wat ik nu het liefste wou doen. Dat was buiten de efficiëntie van het Belgisch gevangeniswezen gerekend. Na een halfuurtje bracht een beambte – of was het een afgevaardigde van Sleepy? – mij een matras van zo’n tien centimeter dik. Deze werd rechtop tegen de muur gezet, er was anders geen plaats. Het was de bedoeling om ’s nachts de matras op de grond te leggen. We sliepen dus naast elkaar, met tien centimeter tussenruimte, maar mijn collega twintig centimeter hoger.
Goed, ondertussen was de deur gesloten, mij achterlatend met ontelbare vragen. Met als hoofdvraag : wat doe ik hier in godsnaam in een ruimte van zes vierkante meter, met een vreemde persoon ? Ik haalde mijn beste Frans boven, en probeerde een conversatie op gang te brengen. Mijn celgenoot was echter helemaal niet sociaal, zat vol frustraties naar de maatschappij toe, maar af ten toe kreeg ik wel een antwoordje terug. Mijn pogingen, om te weten wat de reden voor zijn verblijf hier was, liepen steeds vast. Altijd hetzelfde antwoord : “ pas important, des conneries “.
In de kamer – ja, ik ga vanaf nu het woord “kamer” gebruiken – stond alleen een aftands radiootje te spelen. Er was wel tv. Maar mijn collega kon de kabelaansluiting niet betalen, zodoende gaf het toestel enkel wat geruis. Het verbaasde mij, de man werkte in de gevangenis, stukwerk, en toch had hij het financieel erg moeilijk. Later vernam ik dat ‘ stukwerk ‘ beter betaalde, omdat je de stukken naar de cel kon meebrengen, en zodoende kon verder werken in de vele lege uren. Een ganse avond werken van 20 tot 23 u bijvoorbeeld, leverde hem zo’n drie euro op. Niet veel, maar beter dan niets.
Diezelfde avond bestelde ik nog de tv-aansluiting, en vanaf dag twee konden we tv Kijken.
Meestal bepaalde mijn celgenoot welke programma’s we bekeken. Gelukkig was Frans een haalbare kaart, en hij had ondertussen ook wel een mondje Gents geleerd, zodat we de nieuwsberichten op een Vlaamse zender konden bekijken, en sport was universeel. Regelmatig kwam hij in de namiddag terug om op training te gaan. Hij zou, via een project dat liep in verschillende gevangenissen, de Ronde van Vlaanderen fietsen. Weliswaar op rollen, maar deze Ronde was heel belangrijk voor heel wat gedetineerden, en er werd intens meegeleefd. Er werd een soort kampioenschap gestreden onder de verschillende instellingen, en, het was een opkikkertje voor je ego, bij een goed resultaat.
Ik heb nooit zijn resultaat gekend, want na drie weken vertrok hij. Waar naartoe ? Geen idee, zeker niet naar huis.
Na wat aandringen werd hij stilaan wat losser in de omgang. Hij was goed op de hoogte van de gang van zaken, kende heel wat gedetineerden, en, belangrijk voor mij, hij wist waarom ze zaten. En ik was een aandachtige toehoorder, en vooral erg nieuwsgierig. Het was schrikwekkend welke types van gevangenen er hier zaten, vooral gelinkt aan het drugsmilieu. Gaande van dealen tot overvallen met geweld om aan centen te komen ( de echte verslaafden ). Hij werd zowaar emotioneel, toen hij het verhaal vertelde van de bewoner van een cel rechtover onze kamer. Daar had een jonge Rus gezeten, die zich van het leven had beroofd, nog niet zo lang geleden. Die jongeman had een jonge vrouw uit het Gentse, gedurende de Gentse feesten misbruikt en gedood. De feiten waren gepleegd in St.Denijs Westrem, op enkele kilometer van mijn woonplaats. Ik kon me het goed herinneren, want ten tijde van het gebeuren had deze zaak mij enorm getroffen. Een jonge vrouw, vermoord teruggevonden, ik kon mij het verlies dat de ouders leden, bijna niet voorstellen.
Alhoewel de feiten meer dan zes maand geleden gebeurde, kreeg ik nog steeds koude rillingen, en besefte dat in dergelijke zaken het slachtoffer het ergst getroffen was, en de ouders voor de rest van hun leven een kind verloren hadden, op een brutale manier. Op een onmenselijke manier.
Meestal denkt men daar niet veel over na. De media klopt het gebeuren nog wat op, kijkcijfers weet u wel, maar achter de feiten zit meestal een groot drama, en ouders blijven ouders. Alleen moeten ze nu zonder hun kind verder. En na enkele weken wordt er niet meer over gesproken. Ik voelde nog steeds hard mee met deze mensen, maar ook met de vele anderen, in dezelfde situatie.
Recent zag ik de ouders terug op tv, en het trof me diep hoe sereen en gelaten ze dit kruis droegen, warme mensen, met een groot verdriet. En als er een God zou bestaan, iemand die ons leven regelt, zou ik durven vragen : “ laat het ophouden, ze hebben genoeg gehad.”
Zelf had ik twee kinderen in tragische omstandigheden verloren, maar in beide gevallen was er geen derde partij, die het leven van je eigen kind beëindigde. Mijn herinneringen over mijn eigen kinderen kreeg de bovenhand, en de rest van de dag verliep in een sombere aaneenschakeling van fotografische beelden, geluidjes van kinderstemmen, en piekeren. Aan je overleden kinderen denken is zwaar, heel zwaar. Met tranende ogen rouwde ik opnieuw, maar nu was ik alleen, zonder familie of vrienden, en ditmaal in een cel van twee meter op drie. Ditmaal was ik diegene die zweeg.
Ik nam wat afstand van mijn medegevangenen, vond hun daden afschuwelijk, en voelde mij eerder een slachtoffer, en minder als dader. Wie had toch beslist om mij tussen dat “ crapuul “ te laten wonen ? Moest ik daar echt mee samenleven ? Die jonge Rus was een verrader, een miskleun, die de eenvoudige keuze maakte om te verdwijnen van de aardbol. Weglopen van een zware straf, en de feiten niet onder ogen zien. Dood is het einde.
Na mijn eerste slapeloze nacht, in het bedje op de grond, werd ik ’s morgens geroepen om voor de Directie, op het gevreesde rapport te verschijnen. Ik had helemaal geen vermoeden wat ik nu al misdaan had, maar blijkbaar was het een normale procedure. Binnen de 24 uur na opname moet je gehoord worden door de Directie. Klein en nietig voelde ik mij toen, was zowat de kluts kwijt. Ik werd binnengebracht in een militair aandoende kamer, met de directeur in burger, en een groot aantal personen in uniform, inclusief sterren en strepen. Het leek wel een klein tribunaal. En dat allemaal voor mij. Van het gesprek kon ik mij nadien niet veel meer herinneren, het ging er veel te officieel aan toe, het was niets voor mij.
Één ding bleef me bij. De Directeur wou me naar Wortel sturen. Wortel, in het verre mooie Kempenland, eertijds een tehuis voor landlopers, nu een open gevangenis. Maar zo ver van mijn familie, mijn thuis. Onmiddellijk ging bij mij een belletje rinkelen, en ik vroeg meteen of ik niet naar Ruiselede mocht gaan. Ik kende Ruiselede, en had er tientallen jaren in de buurt gewoond. Geregeld had ik daar rond gefietst, of gewandeld. In Ruiselede zaten boeren, open en bloot op het veld. De vrije natuur. Was dit geen ideale omgeving, weg van de beslotenheid, de stank, de sleutels, het geroep, het koppengeklop ?
Maar de reactie was negatief.
“ Mr. De Munck, ik heb daar niets over te zeggen, het is Brussel die dat beslist. Alles wordt centraal beslist, maar ik wil het wel voorstellen, met een positieve motivatie “.
Hopla, dacht ik, weeral Brussel die beslist, hebben wij Vlamingen dan niets te zeggen ? Het is altijd Brussel. De directeur bleek een man van zijn woord te zijn. Ik vond het fijn dat hij zo positief over mij sprak, het is me altijd bijgebleven. Ik kreeg op zijn positief advies een positief resultaat. Ik zou op transfer gaan naar Ruiselede. Wanneer, zou ik pas later vernemen, geduld hebben is een mooie zaak. En een gedetineerde heeft alle tijd van de wereld.
Ook diezelfde dag, werd ik geroepen bij de PSD-dienst, ook een gevangenis woord dat ik nog heel veel zou horen, vooral van anderen. Deze dienst was de psychosociale dienst, verantwoordelijk voor het opstellen van het dossier, met daarin onder andere, je ganse levensverhaal, je gerechtelijk verhaal, je gedrag, en zo meer. Bij iedere aanvraag van om het even wat, werd deze dienst erbij gehaald. Ik was dan ook enorm nerveus toen ik de kamer binnenkwam, omdat ik meteen begreep, dat een eerste indruk belangrijk was. De beambte van dienst, een kale, mollige man, die er wel sympathiek uitzag, maar verder koel en afstandelijk bleek te zijn, keek niet op van zijn papieren, en keek al helemaal niet naar mij. Ergens was dit wel een geluk, ik bibberde van de zenuwen, de stress liep van mij af ; ik was ook nog heel broos in mijn psychische status, vermits ik nog herstellende was van een tweejarig verblijf in de psychiatrie, door een majeure depressie. Emotioneel was ik helemaal van de kaart, en mijn antwoorden zouden toch maar een vertekend beeld geven. Uiteindelijk las hij gewoon mijn status voor, en dat was het.
Dag na dag, nacht na nacht, wende ik meer en meer aan mijn situatie. Waar ik de eerste nacht geen oog deed, ging dit geleidelijk aan wat beter. Ik kreeg terug slaapmedicatie. Slapen op de grond – of toch bijna op de grond -, in een ijskoude ruimte, het leek bijna normaal te zijn. Een mens heeft een groot aanpassingsvermogen. Vooral als het niet anders kan.
Het eentonige ritme van opstaan, aankleden, eten, verveling, wandeling, middagmaal, verveling, avondmaal, verveling, tv kijken, slapen.. dat was dus vrijheidsberoving. En steeds weer dat geratel van sleutels, het verstrijken van de dagen, het absurde van het nietsdoen.
Ik was trouwens niet alleen. Her en der klonken er stemmen uit de getraliede ramen, zware bassen, meestal van Noord Afrikaanse afkomst, luid, intens, wanhopig. Dan weer werd ik opgeschrikt door luid gebons van gedetineerden die hun ongenoegen, of hun onmacht, lieten blijken door hard met hun hoofd tegen de muur of celdeur te bonken. Anderen – en die waren veruit in de meerderheid – riepen, schreeuwden, en vloekten vanuit hun raampje naar onzichtbare vrienden, hopende op een antwoord. Vooral ’s nachts kwamen ze in actie. Liefst zo laat, of zo vroeg mogelijk. Luid getier en geroep in het midden van de nacht. Galmend over de binnenkoer. Het Arabisch was de voertaal, het leek bij momenten op het leven in een kasbah, met zijn drukke straten, zijn opdringende verkopers, jengelende kinderen, muziek. Als ik mijn ogen sloot waande ik mij in Kaïro of Marrakech, elke Oosterse stad had van die wijken, waar het lawaai overheerste, en je verloren liep tussen de luidruchtige massa. Op mijn reizen heb ik altijd de indruk gehad, dat in die landen, roepen de norm was, er werd niet gepraat, er werd geschreeuwd naar elkaar.
Op enkele vensterbanken voor de open getraliede ramen, stonden boxen, die tot laat in de nacht hun zware bassen produceerden, zelfs in de kille vrieskou van de donkere nachten in februari. Het respect voor de vermoeide medegevangenen was ver te zoeken. Ik vergeleek het een beetje met voetbal. Messi, Kompany, noem maar op, allemaal komen ze op voor respect, maar als het erop aankomt, hebben ze er geen oor naar, en durven het aan om ongegeneerd, anderen hun carrière in de verdoemenis te schoppen. En dan spreken we nog niet over de supporters. Respect ?
Een cultuur-shock in een cel, wie had dit ooit kunnen denken ? ik was altijd redelijk open-minded, had helemaal geen problemen met andere culturen, maar leven op een kleine oppervlakte was niet altijd even gemakkelijk. Persoonlijk vond ik onze Vlaamse keuken erg lekker, en de gevangeniskost goed te eten. Maar helaas, niet voor mijn celgenoot. Zijn humeur daalde naargelang het uur van het middagmaal naderde. Frietjes en pasta vond hij wel lekker, de rest niet. En er waren meer ‘rest’ dagen, dan ‘frietjes- en – pasta’ dagen. Op die andere dagen keek hij mij verwijtend aan, terwijl ik met smaak zat te eten, en stilde zijn honger met Kellog’s.
Niet alleen de maaltijden verliepen in een grimmige sfeer, ook zijn slaapgewoontes zorgden voor enige irritatie. Mijn zwarte collega sliep overdag, en leefde ’s nachts. In de week viel het nog wat mee, de man moest werken, en werd geacht ’s morgens op tijd te zijn, en was zo min of meer verplicht om tijdig naar bed te gaan. In het week-end was het anders. Op vrijdag bleef de tv tot lang na middernacht spelen. De dag nadien bleven, tot laat in de namiddag, de gordijnen toe, omdat mijnheer met geen stokken uit bed te krijgen was. Daar zat ik dan. In het duister niets te doen, te wachten, en nog eens wachten. Als hij dan eindelijk opstond, trok hij het gordijntje van het toilet open, vervulde zijn werkzaamheden, zonder enige gêne, het gordijntje bleef gewoon open. Ik was dan ook gewoon om vroeg te gaan slapen, kon geen licht of lawaai verdragen, het irriteerde mij, maar ik bleef kalm. Geen opvoeding gehad. En al helemaal geen respect voor mij, zijn celgenoot.
De eerste dagen en weken vlogen voorbij op de rimpels van een snel vloeiende rivier van emoties. Ik was van het ene moment op het andere, weggerukt uit mijn werk- en woonwereld, en terechtgekomen in een gans andere leefomgeving. En wat voor één. Een leefwereld die niets geeft om elkaar. Een verzameling van verstotelingen, vervloekten, uitgestotenen, misdadigers en nog veel meer. Een wereld die uit twee groepen bestond : de gedetineerden en de ‘anderen’. Deze ‘anderen’ bekeken de gevangenen alsof het pest- of TBC -lijders waren, en dus te mijden. Van de poetsvrouw – en die waren dan nog de vriendelijksten – tot de directie. Je kon zeggen wat je wou, het eindresultaat was steeds hetzelfde : “ je zit hier niet voor niets, je straf is uitgesproken door een rechter, en die rechter is het opperste wezen en spreekt altijd de waarheid”. Echt ?
De eerste maand van mijn verblijf werd ik strikt opgevolgd. Men probeerde in te schatten hoe je reacties zijn, wie je ongeveer bent. Het is aan de hand van deze beoordeling, dat je soms intern wordt verplaatst. Tijdens de eerste maand wordt je ook dag en nacht, om het uur, gecontroleerd, uit angst voor een wanhoopsdaad of voor verdwijningen. Dus van een echte vaste slaap kon je niet spreken. En, slecht slapen geeft vermoeidheid, en meer frustraties. De transfers gebeuren niet altijd intern, maar dus ook naar andere gevangenissen. Elke instelling heeft een bepaald etiket opgeplakt, dat staat voor een welbepaalde soort van gedetineerden. Wat niet wil zeggen dat er ook intern, in de gevangenis zelf, afdelingen waren, waarin mensen, afhankelijk van hun daden, apart werden ondergebracht. Overal waren er secties met zwaardere gevallen.
De gevangenis is de biotoop bij uitstek voor het verspreiden van roddels, waarheden, boodschappen. Iedereen snakte naar nieuws, of het nu de waarheid waf of niet, dat was niet belangrijk. De beste vertegenwoordigers van nieuws ‘heet van de naald’, waren de mannen met als roepnaam : fatik. Een fatik was een bevoorrechte gedetineerde, die werkte als onderhoudsman, in de wasserij, het bezorgen van eten, kortom, een diender. Dus helemaal geen luiaard zoals ik eerst dacht ( fatigue – vermoeid ), weer een nieuw woord geleerd in mijn gevangeniswoordenschat. Ze hadden een uitzonderlijk statuut. Ze mochten hun cel verlaten, en de ganse dag stond hun deur open. Een niet te schatten voordeel. En, ze wisten alles. Echt alles. Deze mannen vlogen een beetje rond als een huismus. Ze waren overal thuis, en ze waren tegelijkertijd postduif om de nieuwsberichten te verdelen. Vaak bleven ze dan even “plakken” voor het luikje in je deur, dat tijdens de dag ( 6 u tot 21u ) open stond. Er waren daar echte goede gasten onder. Ze moesten wel correct zijn in hun werk, kregen een strenge screening, geen gelul, maar werken. Geen enkele misstap werd getolereerd, zo niet, gedaan met werken.
Het belangrijkste was te weten waarvoor je in de gevangenis terecht was gekomen. Officieel wist niemand dit, maar zoals in alle gemeenschappen, wist iedereen het. De aard van het misdrijf was belangrijk voor de verdere behandeling van de groep onder elkaar, men werd geklasseerd en getaxeerd, naargelang de aard van het misdrijf werd je al dan niet vriendelijk behandeld, en werd je al dan niet opgenomen in de groep.
Het was dan ook via het luikje in de celdeur dat ik na een tiental dagen, vernam waaraan mijn celgenoot schuldig was.
Moord. Hij had zijn vrouw vermoord. Ik schrok enorm, ik vloekte en voelde me verstijven van angst. Was dat echt zo ? Echt ?? Ik had moeite om het te geloven. En die man lag naast mij op tien centimeter afstand te slapen ? Weliswaar twintig centimeter hoger, maar toch ? Mijn hoofd stond op springen. Uiterlijk gaf ik geen reactie, maar inwendig was ik ziedend. Ik was laaiend. Welke idioot was er verdomd verantwoordelijk voor , dat ik, met een financieel misdrijf, samen moest leven met een moordenaar ? Konden ze dan geen twee moordenaars samen in één cel duwen ? Wat moest ik nu doen ? Deze vragen gierden door mijn lijf, ik werd er misselijk van, ik voelde mijn benen trillen van angst en woede, dacht aan mijn vriendin, aan mijn kinderen, ik dacht zelfs aan mijn hond. Wat moest ik toch doen ? Die gek, mijn vriend, die vertelde dat ik “ in de watten” ging gelegd worden, zat er flink naast. Het zag er eerder naar uit dat het een gewatteerde kist zou zijn als ik niet goed op mijn tellen paste. Verdomde vriend. En verdomde familie. En dat verdomde fluitje van een cent mochten ze ook houden. Vakantie ? Ja zeker. Welke snul gaat er op vakantie logeren in een kamertje, niet groter dan een linnenkamer, met als toemaatje een moordende kamergenoot ? En lachen kon ik al helemaal niet. Het was dus wel een probleem, een verdomd groot probleem.
Ik besloot de waarheid die ik kende, te verzwijgen voor mijn zwarte collega. Dat leek de beste oplossing.
Sinds die nacht sliep ik slecht, en vaak stond ik aan het raam te staren naar de maan, de grijze mist, de donkere wolken, en ik hoorde het geroep en geschreeuw op de binnenkoer. Ik had zin om mee te roepen.
Na een tiental dagen werd mijn celgenoot op ‘transfer’ gezet. Ik heb nooit nog iets van hem vernomen.
En plots stond Polke voor mijn neus. Tussen al die bruine en zwarte gezichten viel zijn bekend gezicht meteen op. Hij straalde. Hij had me ook gezien en kwam meteen mijn richting uit. Hij was op dat ogenblik 73 jaar, was de zaakvoerder van een middelgroot vleesbedrijf, was altijd zijn zelfstandigheid gewoon geweest, en ik ondervond meteen dat hij zowel letterlijk als figuurlijk ‘het noorden kwijt was’. Een klein, vinnig ventje, eenzaam, plots uit zijn huiselijke warme omgeving gehaald om hier te verblijven in een kille, koude gevangenis. Er waren een aantal buitenlandse vleesinkopen niet helemaal zuiver verlopen, hij kwam in de problemen en ging failliet. De fiscus viseerde hem, met als resultaat dat hij nu vier jaar van zijn verdere leven versleet tussen dieven, verkrachters, moordenaars, enz.. Onbegrijpelijk. Hij was ook één van mijn vleesleveranciers geweest, en van zodra hij mij zag kon hij zijn geluk niet op. Eindelijk zag hij een bekend gezicht ! Tussen al die criminelen ! Hij stond perplex, greep de mouw van mijn jas , en met een waterval van woorden kreeg ik zijn hele levensverhaal te horen. Hij zou de rest van de tijd altijd in mijn buurt blijven, hij voelde zich dan veiliger.
Want veilig was het helemaal niet in de gevangenis. Alles samen, de onvrijheid, de ontvlambaarheid , de groeiende frustraties, de onderhuidse spanningen, en het feit dat de druk steeds groter werd, maakte de gevangenis een gevaarlijke plek om te leven. Ik hield me afzijdig, observeerde de rivaliteit tussen gedetineerden onderling, en probeerde met mijn angsten en ongemakken te overleven. Probeerde – de gewatteerde kist indachtig – mij zeker niet te mengen in hun twisten. Probeerde mij klein te maken, als er hoogoplopende discussies in mijn nabijheid werden uitgevochten. Ik had, behalve met mijn duo-partner, weinig contact met anderen. Dat was mijn keuze, ik wou niet betrokken raken in hun onderlinge vetes, geen partij kiezen voor niemand, ik wou vooral rust en stilte in deze rumoerige wereld. Op de moeilijke momenten sloot ik mijn ogen, en waren de herinneringen aan mijn vriendin en kinderen een lichtpuntje in de duisternis.
De interne ruzies waren niet alleen verbaal, maar er waren ook vaak fysieke aanvaringen. Niemand keek nog op bij de aanblik van een blauw oog ( tegen een deur gelopen ), en ook een bloedende lip was geen uitzondering ( per ongeluk op de lip, of tong of.. gebeten ). De meeste bewakers waren echter halve sociale werkers. Ze hadden vaak een redelijke band opgebouwd met ‘hun’ gedetineerden, en wisten wie “een kort lontje” had. Als volleerde brandweerlui konden ze zo een smeulend vuurtje op tijd blussen, zodat erger werd vermeden. Gent was een arresthuis, het was hier een komen en gaan van figuren van allerlei slag, en zeer dikwijls gingen er mensen op transfer. Dus waren de problemen meestal van korte duur. En als de gedetineerde te fel tekeerging, was er nog altijd de isoleercel. De cel waar iedereen doodsbang voor was. Een gevang in een gevang. Het zal je maar overkomen. Maar wel een goede stok achter de deur.
Sinds Polke in mijn leven verscheen, kwam ik wat meer buiten. Dagelijks werden we gevraagd om deel te nemen aan een openluchtwandeling. In mijn beginperiode had ik daar hoegenaamd geen zin in. Het trok me ook niet aan, zo’n wandeling op een betonnen of verharde weg, omsloten met hoge muren. Ik wou geen contact met medegevangenen, en zag er het nut niet van in. Voor frisse lucht draaide ik het raam open, en dat was het. Maar Polke sleepte me mee, hij wou steeds zijn verhaal opnieuw vertellen, en voor hem was ik een luisterend oor. Geduldig aanhoorde ik dan ook zijn verzuchtingen, alleen, hij vergat dat hij het al voor de tweede, of derde maal vertelde.. de man was overduidelijk helemaal in de war. Op onze wandeling werden we vaak lastig gevallen door collega’s, die altijd iets nodig hadden. Postzegels, tabak, snoep, zelfs drugs, er werd gebedeld dat het een lieve lust was. Maar helaas, ik kon hen niet helpen. Door de talrijke processen was ik alles kwijtgeraakt, en wat ik had was reeds lang verkocht, om mijn schulden af te betalen. Teleurgesteld dropen ze af, en na een tijdje was het bedelen gedaan, en konden Polke en ik ongestoord wandelen, en luisterde ik naar de zoveelste herhaling van de avonturen met de fiscus, van Polke. We wandelden nu dagelijks, en ik begon de verfrissende open ruimte te waarderen. Begon me ook wat beter te voelen, ik had nu een vriend die me vergezelde, en die mij dagelijks stond op te wachten. Polke keek er zo naar uit, de wandeling gaf wat kleur aan zijn verbleekt gezicht, en bracht wat rust in zijn onmenselijk grote eenzaamheid. Het gaf mij een fijn gevoel te weten dat je iets betekende voor iemand . Éenmaal betrapte ik mezelf op een lach. Dat was lang geleden, te lang. Het was bevrijdend.
Tijdens deze wandelingen viel het op dat de gekleurde medegevangenen ruim in de meerderheid waren. Als je de officiële statistieken van het ministerie in verband met de gevangenispopulatie, kan je zien dat slechts een dertig % buitenlanders zijn, al de rest Belgen. Niets is minder waar. In de gevangenis worden alleen zij als buitenlander beschouwd, die geen Belgische identiteitskaart hebben. Zodoende waren alle Maghrebianen, of personen uit de Oostbloklanden, met een dubbel paspoort ook als Belgen ingedeeld. Een heel fout beeld, want in realiteit was acht op tien niet van origine Belg. Statistisch gezien was het een minderheid, maar in praktijk was Arabisch de voertaal. Het duurde even vooraleer ik deze mengeling van gekleurde mensen gewoon was. Mijn thuis – mijn echte thuis – situeerde zich in de mooie omgeving van het schilderachtige St.Martens-Latem, en ja, ik moest echt wennen aan de realiteit van de diversiteit. Ook het denken in ‘tribes’ was voor mij nieuw. Deze mensen hadden nog een cultuur van piramidale order onder elkaar. Er was een brede basis van jonge gedetineerden, nieuw binnengekomen, op zoek naar wat houvast. Daarboven stonden dan de rechter- en linker handen, de assistenten, met als absolute top de zwaarste crimineel. Deze houding straalde volledig uit in hun gedrag, voorkomen, taal en aanblik. Het waren groepen, die samen sterk waren, in elke betekenis van het woord. Zij gingen voor elkaar door het vuur, bleven elkaar door dik en dun steunen, en voerden zonder ook maar enige twijfel de bevelen van hun leider uit. Voor mij was iedereen gelijk, ik heb daar nooit in meegespeeld. En vermits ik ver uit hun buurt bleef, had ik er ook niet zoveel last van.
De eentonigheid van de dag, de urenlange celverblijven, werden verbroken toen het bezoekuur naderde. Iedereen keek er naar uit, en de spanning steeg. Het feit om bekenden terug te zien maakten de mensen extra emotioneel en kwetsbaar. De begeleiders waren niet de vaste bewakers, maar beambten die enkel het reglement kenden, en uiterst secuur navolgden, tot in het onzinnige. Regeltjes. Geen menselijk gevoel, geen hart. Gevangenen werden als kinderen behandeld, gekleineerd, afgesnauwd, als vee. De combinatie van stress en de emotionele toestand van de gedetineerden, die verlangend uitkeken om hun familie of bekenden terug te zien, en de brutale houding van de begeleiders, maakten alles samen een explosieve cocktail. Iedereen was op van de zenuwen, gespannen tot het uiterste, maar gelukkig waren er massaal bewakers in de omgeving, die ervoor zorgden dat het vuur niet in de pan kon slaan.
“Tafelbezoek” werd dit genoemd. Voor vrienden en kennissen die een toelating hadden. Deze toelating werd verstrekt door de directie, na het bezorgen van een aanvraag met een bijhorende afdruk van de identiteitskaart van de bezoeker. Het bezoek kwam binnen via de receptie – via de norse dame met het brilletje – en werd streng gecontroleerd. Niets in de zakken, niets in de mouwen. Niets, nog geen postzegeltje of pen, geen papiertje, niets. Helemaal niets. Vanwaar kwamen dan toch die drugs die onder mijn neus verhandeld werden ? Ook het bezoek diende zich te houden aan de regeltjes. Op een vrij onvriendelijke manier werd hen erop gewezen wat wel en niet mocht. Oudjes die hun zoon kwamen bezoeken, ongemakkelijk, bedeesd. Wat hadden zij misdaan om zo behandeld te worden ? Kon het echt niet vriendelijker ? Waar was de menselijkheid gebleven ? Het bezoek zat klaar aan een tafeltje, en één voor één kwamen de gedetineerden binnen. Via een omweg, want ook al zat je bezoek voor je, toch moest men een omweg maken voorbij de bewakende chef, vooraleer je eindelijk kon plaatsnemen. Regeltjes. Altijd weer die stomme regeltjes. Ik heb me altijd afgevraagd op welke bladzijde in het grote “regelboek” staat, dat bezoekers onvriendelijk behandeld moeten worden.
Bezoek was altijd te kort, altijd. Waar je zo verlangend naar uitgekeken had, was zo snel voorbij. En reikhalzend werd er opnieuw afgeteld naar een volgend bezoek. Niemand begrijpt dat bezoek zo belangrijk is voor gedetineerden. Het afnemen van de meest essentiële waarde van de mens, de vrijheid, de behandeling die ze ondergingen, de vernederingen, de stress, alle elementen samen gaven extra druk . Bij opname besefte niemand hoe het ‘achter de muren’ zou zijn, het is zoiets als gezondheid. Pas als je ziek bent, besef je wat gezond zijn is, pas als je in een cel zit, besef je dat je niet meer vrij bent. Het terugzien met familie of bekenden, gaf terug wat hoop voor een toekomst. Maar niet iedereen kreeg bezoek. Niet iedereen was geliefd.
In de beginperiode van mijn verblijf, werden de gedetineerden, na het bezoek, nog in “het bad” verwacht. Een bad is een bad, zouden de meesten zeggen. Zoals een douche, een douche is, zoals een sauna, een sauna is. Niet dus. Ons “bad” had maar één zaak gemeen met een echt bad, namelijk dat men naakt was. Het bad was de plaats waar iedereen, na het bezoek naar toe moest, om een naaktfouille te ondergaan. Stel je even voor : tientallen overgestresseerde gedetineerden in hun blootje, in een ruimte, drukkend warm, met een hoge vochtigheid door de zwetende lijven, een drukte van jewelste, opgejut door de chefs, een komen en gaan, spanningen, zelfs de kalmste persoon werd er zenuwachtig van. Persoonlijk vond ik het, buiten de verdomde stress, niet zo erg. Ik had jarenlang minivoetbal gespeeld, met gemeenschappelijke douches. Alleen, bij minivoetbal heerste er een sfeer van euforie, van gierende adrenaline, die een positieve stemming gaf. Alles kon. Hier in de gevangenis was dit een groot stressgebeuren, het was een mensonwaardig optreden. Ik maakte de laatste maand mee van het bad. Plots was dit afgeschaft. Eindelijk had men van hogerhand begrepen, dat dit soort van acties geen meerwaarde had. Soms werden sporadisch nog mensen geroepen voor een naaktfouille, maar dat gebeurde vooral bij gevangenen die verdachte transacties hadden ondernomen. En sindsdien werd ook een schriftelijke verklaring afgegeven.
Mijn verblijf in de Nieuwe wandeling was van korte duur. Mijn contacten bleven beperkt, ook met de chefs had ik niet echt contact. Alles verliep redelijk afstandelijk. Misschien keer ik ooit nog wel terug naar Gent, de stad met de bijna-beste burgemeester ter wereld. De stad, waar ook een van de betere gevangenissen van het land staat, met een zekere reserve voor het woord ‘betere’, of ‘beste’. Alles is zo relatief.
Mijn periode was hier ten einde. De directeur had woord gehouden, ik was er dankbaar voor, mijn enige vriend, Polke treurde…. Weldra zou ik vertrekken naar het PLC Ruiselede, mijn ticket lag klaar. Zou ik eindelijk wat vakantie krijgen ?